Inleiding
Hoewel de economen en theoretici van de Oostenrijkse School door aanhangers van andere 'klassieke' economische paradigma's vaak obscurantisme, metafysisch gezwets en dogmatisme worden verweten; kan, net vele andere intellectuele tradities, ook de Oostenrijkse School in wezen onmogelijk gevat worden als één monolithisch blok dat uitgaat van een consistent geheel aan kentheoretische premissen en methodologische werkwijzen. De meeste tegenstanders van de Oostenrijkse School verwijzen dan met een zeker gevoel van afgrijzen naar de vele synthetische a priori-structuren waarmee binnen de Oostenrijkse traditie gewerkt wordt. Los van de concrete invulling van het begrip 'synthetisch a priori', wordt hiermee in het algemeen gedoeld op alle uitspraken die, middels de rede en los van de zintuiglijke waarneming, meer inhoudelijke informatie verschaffen over een bepaald subject. Voor de kritische filosofie van Immanuel Kant regende het in de filosofie dan ook synthetische a priori oordelen, die vooral in de scholastiek nuttig waren om de substantie en attributen van God uit af te leiden. Kant had de a priori-structuren herleid tot nog maar slechts 12 verschillende categorieën die overigens, zoals het kantiaanse dictum zegt, 'leeg' zijn zonder zintuiglijke waarneming.
Het verwijt van de dames en heren keynesianen, monetaristen en Chicago-boys (and girls) ligt hem erin dat de Oostenrijkers de economische wetenschap opvatten als een discipline geheel opgesteld en afgeleid uit a priori-redenering. Waar blijft dan toch de positief-wetenschappelijke zin voor empirie, zintuiglijke verificatie en statistische modellering? Over de vraag naar de zin en onzin van het positivisme in de sociale wetenschappen wil ik het hier niet hebben.(1) Het debat over het statuut van het synthetisch a priori binnen de Oostenrijkse Economie is, zoals we zullen zien, verre van afgerond. Grosso modo tekenen zich binnen de traditie van de Oostenrijkse School echter wel twee duidelijke methodologische tradities af, zijnde enerzijds de 'scholastisch-realistische' stroming die vertegenwoordigd wordt door ondermeer Carl Menger en Murray N. Rothbard; en de neokantiaanse traditie die in het werk van Ludwig von Mises, en deels ook F.A. Hayek(2), verder werd verdiept. Wat nu precies de termen 'scholastisch-realistisch' en 'neokantiaans' willen zeggen, zal later nog verduidelijkt worden. Wij kunnen al wel verklappen dat onze methodologische voorkeur uitgaat naar Menger en Rothbard. Toch ontbreekt het ons inziens ook in het werk van Menger en Rothbard aan een duidelijk 'kader' waarbinnen hun theorieën verder in kunnen worden uitgewerkt. Nochtans is dit kader in feite reeds voorhanden, en dit al sinds het begin van de 20ste eeuw. Dit kader is bekend geraakt onder de naam fenomenologie, en kende – epistemologisch beschouwd – zowel haar begin- als hoogtepunt in het werk van Edmund Husserl (1859-1938)(3) . Dat de Oostenrijkse School tot nog toe zo weinig invloed heeft ondergaan van die fenomenologie, heeft te maken met het historische feit dat Husserl schreef op het moment dat vooral Mises de toonaangevende figuur was binnen de Oostenrijkse School, een eerder aansluiting zocht bij een kantiaanse benadering. Het is dus onze bedoeling (alsnog) een brug te slaan tussen het ontologisch realisme van Menger en Rothbard enerzijds; en de fenomenologie als kentheoretische omkadering anderzijds. Hiertoe zijn overigens al enkele zeer verdienstelijke, doch niet altijd even gekende, pogingen toe ondernomen.(4)
In het vervolg van dit essay zullen we in een eerste deel een korte descriptief-historische situering geven van de methodologie van de Oostenrijkse School; met een bijzondere klemtoon op auteurs als Menger/Rothbard (die we, ietwat tegen de chronologie in, niettemin als een 'onafscheidelijk duo' zullen presenteren) en Mises. In een tweede deel wordt eveneens het opzet van de fenomenologie uiteengezet aan de hand van het leven en werk van Edmund Husserl. In deel drie zal ten slotte worden geëxpliciteerd op welke manier de fenomenologie een helpende hand kan uitreiken naar de methode van de Oostenrijkse School, en zal eveneens een ultiem Salomonsoordeel worden geveld over Menger, Rothbard, Mises én Husserl.
I. Objectief subjectivisme: de methodologie van de Oostenrijkse School
a) Franz Brentano: in den beginne...
De econoom en journalist Carl Menger (1840-1921) wordt beschouwd als de grondlegger van de Oostenrijkse School. Toch is het niet met hem dat we dit verhaal dienen aan te vangen. Wat meer is, ons verhaal begint in een totaal ander domein dan de economie, namelijk dat van de psychologie.
In navolging van Auguste Comtes (1798-1857) methodisch-filosofisch traktaat Cours de la Philosophie Positive, ontwikkelden de Europese wetenschappen zich steeds meer naar het model van het positivisme (empirisme). Ook de humane wetenschappen zochten steeds meer toenadering tot het model van de inductieve natuurwetenschappen, dat probeert wetmatigheden te puren uit zintuiglijk waarneembare feiten. Maar in tegenstelling tot Frankrijk, waar Comte de sociologie nog had uitgeroepen als hét kroonjuweel van de positivistische methode in de menswetenschappen, verkreeg in Duitsland de psychologie ook langzamerhand de status van een wetenschap. Of om het in de terminologie van Comte te zeggen: de psychologie verliet het metafysisch stadium (de psychologie behoorde immers van oudsher tot de tak van de zogenaamde speculatieve ‘pneumatische filosofie’) om het in te ruilen voor het statuut van ‘harde’ wetenschap. In Duitsland werd die trend vertegenwoordigd door de experimentele psychologie van Wilhelm Wundt (1832-1920). In 1879 richtte Wundt te Leipzig het eerste laboratorium voor de experimentele psychologie in Europa op. De bedoeling van de experimentele psychologie was eveneens om naar het ‘positieve’ model van de natuurwetenschappen, een verklaringsmodel te kunnen geven met zo weinig mogelijk nodige entiteiten (cfr. Principe van Occams scheermes), zodanig dat zowel eenvoud als eenduidigheid mogelijk werden. Dit hield dus ondermeer in dat bijvoorbeeld bewustzijnsinhouden (het denken aan iets of iemand, het verlangen van iets,…) werden gereduceerd tot louter fysiologische toestanden (hersenprocessen). Hiermee kwam het verlangen naar eenvoud binnen de positieve wetenschap tot uiting (van tweeën één maken). Het is dan ook niet verwonderlijk dat aan de drempel van de 20ste eeuw het behaviorisme (John B. Watson) als quasi onvermijdelijke erfgenaam van de experimentele psychologie de kop op kwam steken.
Deze zienswijze van de experimentele psychologie werd echter fel bekritiseerd door menig psycholoog en filosoof, waarbij zeker de namen van Carl Stumpf (1848-1936) en Franz Brentano (1838-1917) dienen vermeld te worden. Laatstgenoemde zullen we in wat nu volgt uitvoeriger bespreken, gezien zijn denken van doorslaggevende invloed was op de totstandkoming van de Oostenrijkse School. Eerst en vooral dient er absoluut beklemtoond te worden dat Brentano verre van een ‘obscurantist’ was, die de experimentele psychologie met wortel en tak wilde uitroeien. Integendeel, hij moedigde de ontwikkelingen in de experimentele psychologie zelfs aan, maar maakte niettemin enkele kritische bedenkingen. Volgens Brentano dient de psychologie niet als één monolithisch wetenschappelijk ‘blok’ voorgesteld te worden, maar moet er net een distinctie worden gemaakt tussen genetische psychologie (cfr. De natuurwetenschappelijke methode) enerzijds, en descriptieve psychologie anderzijds. De genetische psychologie onderzoekt psychologische fenomenen vanuit het standpunt van de externe waarnemer; zoals klassiek is in het natuurwetenschappelijke model dat gekenmerkt wordt door het onderscheid tussen (waarnemend) subject en (onderzocht) object. De descriptieve psychologie – die tak van de psychologie waarmee Brentano zich bezighield - houdt zich echter bezig met mentale bewustzijnsacten vanuit het standpunt van de eerste persoon. Hiermee benadrukte Brentano dus het complexe karakter van de psychologie, dat niet alleen op zoek dient te gaan naar de causa efficiens van het bewustzijn, maar ook de bewustzijnsacten an sich dient te onderzoeken. Brentano kende aan het fenomenaal bewustzijn(5) een reële status toe, omdat het subjectieve bewustzijn logisch onmogelijk ontkend kan worden: iedere poging dit te ontkennen, stoot op de onmiddellijke vaststelling dat er beroep dient te worden gedaan op een reflexief bewustzijn om deze ontkenning waar te maken. Maar deze ontkenning zelf is op zich een bewustzijnsact; dus kan het bewustzijn onmogelijk ontkend worden of gereduceerd worden tot louter fysiologische prikkels.
Een centraal begrip in het werk van Brentano is de notie van intentionaliteit. Dit betekent dat het bewustzijn steeds gericht is op een bepaald object. Bijvoorbeeld: houden van (iemand); zin hebben in (een pak friet); denken aan (de godin Minerva); etc. In deze voorbeelden staat het intentioneel object telkens tussen haakjes. Men merke op dat het bewustzijnsobject niet per se in de werkelijkheid hoeft te bestaan (zoals de godin Minerva). Over de relatie tussen mentaal object en object-in-de-wereld blijft Brentano trouwens overwegend vaag (met betrekking tot dit punt zouden vele van zijn studenten, onder wie Edmund Husserl, veel meer duidelijkheid scheppen).
De intentionele act geschiedt nooit direct (een ‘zuivere’ essentie van een bepaald object is volgens Brentano onmogelijk; en om deze reden zou hij Husserl later ook fel bekritiseren. Hierover in deel III en IV meer), maar steeds via bepaalde ‘gemoedstoestanden’ van het bewustzijn. Kijken, registreren, hopen, haten, liefhebben, wensen,… zijn telkens andere manieren om een bepaald object te ‘aanschouwen’. Brentano onderscheidt drie mentale toestanden waarin een object tot expressie kan komen:
1. Mentale acten van voorstelling --> het zien, voorstellen, inbeelden, verbeelden,… van een bepaald object.
2. Mentale acten van beoordeling --> ontkennen of bevestigen van de existentie van het object
3. Mentale acten van liefde en haat --> bevat de subjectieve emoties, gevoelens, wensen, wilsacten,… ten aanzien van het object
De filosofie van Brentano kan dus beschouwd worden als een radicaal subjectsdenken, dat evenwel niet tot een relativisme hoeft te leiden. Waar het Brentano om te doen was, was immers om door te dringen tot de universele essentie van de intentionaliteit van ieder menselijke bewustzijn. Wat de precieze bewustzijnsinhouden precies zijn, kan moeilijk achterhaald worden, maar dat ze er zijn, staat echter apodictisch vast.
Hiermee komen we eveneens tot de vaststelling dat Brentano met recht en rede een methodologisch individualist mag genoemd worden, welke hij rechtstreeks afleidde uit zijn Aristotelische interpretatie van het immanent realisme. Die filosofische positie mag echter uitzonderlijk genoemd worden in het Duitsland van de 19de eeuw, dat nog volop in de ban was van het hegelianisme en de theorie van de interne relaties (i.e. de idee dat de elementen van de gehele werkelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; allen als manifestaties en metastases van Hegels Objectieve Geest)
En met de link naar het methodologisch individualisme, zijn we tevens aanbeland bij de start van de Oostenrijkse School.
b) Essentialisme en Aristotelisme in de Oostenrijkse School: Menger en Rothbard
De stamvader van de Oostenrijkse School, Carl Menger, zal wellicht in de economische geschiedenis geboekstaafd staan als de ‘ontdekker’ van het principe van de wet van het dalend marginaal nut. De wet van het dalend marginaal nut zegt dat wanneer de kwantiteit van een bepaald goed met één (of meerdere) eenheid/eenheden wordt verhoogd, behoeftes die lager op de individuele voorkeurenladder staan kunnen worden vervuld (het goed wordt dan minder schaars). Menger leidt dit principe, hoewel hij de term ‘marginaal nut’ nooit expliciet in zijn werk heeft aangehaald, rechtstreeks af uit de intentionaliteitsthese van Brentano. Zoals reeds gezegd is iedere bewustzijnsact steeds gebaseerd op een bepaald object. Welnu, die act geschiedt steeds via subjectieve modaliteiten, zoals wensen of verlangen, dus worden ook economische goederen steeds subjectief gerangschikt, en worden hieraan in het algemeen steeds subjectieve waarden aan geplakt. Deze positie van Menger is dan ook een frontale aanval op de (neo)klassieke arbeidswaardetheorie – zoals verdedigd door John Locke en Adam Smith – die stelt dat de hoeveelheid arbeid die gestoken wordt in de creatie van een bepaald goed, de determinerende factor is van de (objectieve) waarde ervan (deze gedachte heeft ook Karl Marx geïnspireerd om te spreken van ‘uitbuiting’ van zodra de verkoopprijs van een bepaald goed hoger ligt dan de effectieve arbeids- en productiewaarde ervan!). Menger werkt hier dus een gedachte uit die ook kan teruggevonden worden in de middeleeuwse scholastiek(6) .
De subjectief-individualistische methodologie van Menger wordt door hem gekoppeld aan een Aristotelisch realisme. Dit houdt in dat het object van studie steeds de (economische) fenomenen an sich inhoudt. In concreto behelst het realisme de opvatting dat er een wereld onafhankelijk van ons denken bestaat (i.t.t. Kant), maar dat de structuren van deze fenomenen niettemin intelligibel zijn. Het zijn dus geen Platoonse Ideeën, maar objecten waaruit wij de algemene vorm of essentie kunnen abstraheren. Conform zijn positie betreffende het immanent-realisme en het methodologisch individualisme, hanteert Menger een analytische methode waarin complexe economische fenomenen (ruiltransacties, geld,…) tot hun elementaire bouwstenen kunnen worden herleid (individueel subjectief belevende en handelende mensen). Deze vorm van analytiek is zeker waardevol; alleen is het ietwat problematisch dat Menger geen precieze omkadering geeft op welke (kentheoretische) basis we tot die basiselementen kunnen komen. Menger grijpt hiervoor terug naar een vorm van ‘common sense’-leer, welke echter maar al te gemakkelijk op losse schroeven kan worden gezet. De fenomenologie als strenge wetenschap moet, zoals we in deel II en III zullen zien, hier een uitweg kunnen bieden.
Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat Menger, wat betreft zijn specifieke positie ten aanzien van het (synthetisch) a priori(7) , hij hierbij uitgaat van een zogenaamde reflectionistische visie. Dit behelst de idee dat het menselijk verstand over a priori kennis kan beschikken over datgene wat bestaat, onafhankelijk van de verstandelijke structuren (cfr Kants categorieën) die het menselijke subject hieraan oplegt. Het reflectionisme houdt ondermeer in dat subject en object zich steeds in een onlosmakelijke wisselwerking tot elkaar bevinden. Het reflectionisme staat (deels) in contrast tot het impositionisme, dat we later nog bij Mises’ neokantianisme zullen tegenkomen.
Na Menger is het in feite opvallend stil geweest omtrent het realistisch-reflectionisme binnen de Oostenrijkse School, dat pas met het werk van Murray N. Rothbard terug tot leven is gewekt(8). Rothbard neemt enerzijds duidelijk het standpunt van Mises over dat economie een zuiver deductieve wetenschap is, maar beklemtoont anderzijds – in navolging van Menger – dat de economie steeds op zoek gaat naar het verklaren van economische fenomenen:
“Whether we consider the Action Axiom “a priori” or “empirical” depends on our ultimate philosophical position. Professor Mises, in the neo-Kantian tradition, considers this axiom a law of thought and therefore a categorical truth a priori to all experience. My own epistemological position rests on Aristotle and St. Thomas rather than Kant, and hence I would interpret the proposition differently. I would consider the axiom a law of reality rather than a law of thought, and hence “empirical” rather than “a priori.” But it should be obvious that this type of “empiricism” is so out of step with modern empiricism that I may just as well continue to call it a priori for present purposes. For (1) it is a law of reality that is not conceivably falsifiable, and yet is empirically meaningful and true; (2) it rests on universal inner experience, and not simply on external experience, that is, its evidence is reflective rather than physical7; and (3) it is clearly a priori to complex historical events.”(9)
Ook Rothbard hangt dus een ‘Mengeriaanse’ vorm van reflectionisme aan. Maar net zoals bij Menger, stelt zich bij Rothbard het probleem op welke manier de economist informatie uit de (complexe) fenomenen kan abstraheren. Dat deze analyse naar elementaire bouwstenen, zoals Menger ook al heeft voorgesteld, geschiedt via deductie is inderdaad juist. Maar ook Rothbard geeft geen duidelijk beeld van hoe die complexe fenomenen nu in relatie staan tot het onderzoekende subject. Dat complexe fenomenen in de economie gededuceerd kunnen worden uit het axioma van het menselijk handelen is juist, maar de specifieke werkwijze waarop dit geschiedt wordt door Rothbard nauwelijks of niet geëxpliciteerd. Over het algemeen valt trouwens op dat Rothbards bijdragen tot de epistemologische problematieken van de economische wetenschap tamelijk beperkt is.
c) Ludwig von Mises
In tegenstelling tot Menger en Rothbards Aristotelisch reflectionisme, staat het impositionisme van Ludwig von Mises. Deze kentheoretische doctrine is door en door geïnspireerd door het werk van Immanuel Kant, en dan in het bijzonder diens Kritik der Reinen Vernunft (1781). Kant, hierbij fel beïnvloed door het empirisme van David Hume, stelde dat de werkelijkheid ons verschijnt als een niet-intelligibele chaos; die slechts door de categorieën van het menselijke denken kunnen gestructureerd worden. Centraal in de Copernicaanse Wending van Kant is de idee dat het zogenaamde ding-op-zich een onbekende is, en ons slechts 'verschijnt' voor zover de structuren van het verstand deze dingen ordenen. Het impositionisme betekent in de traditie van Kant dus dat het verstand zijn structuren oplegt aan de werkelijkheid.
Voor Mises levert dit echter het volgende probleem op: indien men de werkelijkheid in feite slechts kan bestuderen als een ding-voor-mij, dan kan de economie in feite louter verstandelijke concepten bestuderen, en geen sociale en/of economische fenomenen. Mises was betreffende dit punt dan ook zeer expliciet: “Aprioristic reasoning is purely conceptual and deductive.”(10)
Mises volgt Kant hierin zeer rigoureus, beseffende dat zijn axioma van menselijk handelen door Kant bestempeld zou zijn geweest als een 'antinomie', in die zin dat zij indruist tegen Kants dictum dat alle categorieën (die een synthetisch a priori bevatten; zoals het causaliteitsbeginsel) zonder waarneming (Humeaanse derdepersoonswaarneming) leeg zijn. Welnu, Mises stelt even verderop in het methodologisch luik van zijn Human Action het volgende:
“[Aprioristic reasoning] cannot produce anything else but tautologies and analytic judgments. All its implications are logically derived from the premises and were already contained in them.”(11)
Mises verwijst hierbij expliciet naar de methode die gebruikt wordt in de meetkunde: net zoals de stelling van Pythagoras in feite alle meetkundige stellingen reeds omvat – in die zin dat die stellingen louter definities zijn, en derhalve analytische oordelen – zo is ook bijvoorbeeld de gehele monetaire theorie gebaseerd op loutere tautologieën. Doch, men kan onmogelijk een economische theorie opbouwen op louter analytische oordelen en tautologieën: zij zouden immers helemaal niets toevoegen aan onze kennis. Vandaar Mises' postulaat van het menselijk handelen, als enig synthetisch a priori waarop de rest van zijn economische theorie is op gebaseerd. Ietwat problematisch is echter wel dat Mises geen duidelijke logische gronden kan geven waarom het axioma van het menselijk handelen onomstotelijk vaststaat. Meer zelfs, op bladzijde 18 van Human Action, alwaar hij voor het eerst zijn concept van het methodologisch dualisme uiteenzet, stelt Mises dat dit dualisme in feite maar “tijdelijk” is, zolang de positieve natuurwetenschappen de chemische of fysiologische wortels van de menselijke gevoelens nog niet hebben achterhaald. In feite geeft Mises dus impliciet toe dat van zodra het psychologisch reductionisme waar zou zijn, ook zijn hele praxeologische theorie in stukken uiteenspat. Zulk een weinig heilzame assumptie zouden personen als Brentano en Menger nooit maken, voor wie een fysiologisch-reductionistische verklaring van het bewustzijn geen afbreuk zou doen aan de intentionele kwaliteiten ervan. Het lijkt er dan ook op dat er enkele fundamentele problemen zijn met Mises' theorie van het menselijk handelen, welke voornamelijk resulteren uit zijn weigering om het menselijk handelen op te vatten als een eerstepersoons gegevenheid.
Tot nu toe hebben we geprobeerd het realistisch reflectionisme van Menger en Rothbard te contrasteren met het impositionisme van Mises, en de lezer zal wellicht niet aan de indruk kunnen zijn ontsnappen dat een voorkeur voor het eerste standpunt naar voren werd gebracht. Wij zullen nu overgaan naar deel II, waarin de fenomenologie van Husserl zal worden besproken.
II. Het psychologismedebat en de terugkeer naar de zaken zelf: fenomenologie als wetenschap
a) Het psychologisme
Edmund Husserl (1859-1938) had van zichzelf wellicht nooit gedacht ooit een dergelijk grote stempel op de ontwikkeling van de filosofie te zullen drukken. Husserl genoot immers een opleiding als wiskundige, en zijn filosofische interesses zijn dan ook maar via een terloops zijweggetje tot ontstaan gekomen.
Als wiskundige was Husserl immers vooral begaan met de grondslagen van de wiskunde en de logica. In zijn fundamenteel onderzoek hiernaar, verwierp Husserl – hierin overigens voor een groot stuk bijgetreden door Gottlob Frege – het zogenaamde psychologisme. Het psychologisme was een 19de eeuwse denkrichting die vertegenwoordigd werd door ondermeer John Stuart Mill (die dus niet alleen voor de verdere ontwikkeling van het liberalisme een ronduit negatieve invloed heeft gehad...). Volgens de traditionele visie, die reeds sinds Aristoteles werd aangenomen, dient de logica begrepen te worden als een propedeutische wetenschap, die de vormen van bepaalde proposities analyseert op hun juistheid. De psychologisten beweren nu echter dat dit niet zo is: de wetten van de logica worden volgens hen empirisch-inductief geabstraheerd uit het denken. Zo is volgens Mill (zie System of Logic, 1843) het principe van niet-contradictie geen apodictisch zeker principe, maar drukt zij slechts de psychische onmogelijkheid uit om aan twee tegengestelde principes geloof te hechten.
Husserl verwierp de psychologistische these volledig: de logica kan nooit ofte nimmer gegrondvest zijn in inductieve waarnemingen. De normen van de logica worden hierdoor dan impliciet falsifieerbaar, want nooit ofte nimmer de bedoeling van de logica kan zijn.
Toch maant ook Husserl aan niet te vervallen in een Platoons extreem-realisme waarin de wetten van de logica een ideeënrijk op zich zouden vormen. Hoewel het Husserls bedoeling is aan de tonen dat de wetten van de logica (en bij uitbreiding, de wiskunde) objectief geldig zijn; gaat ook hij niet voorbij aan het feit dat het steeds een menselijk subject is dat een logische regel aan een bepaalde propositie plakt. De bedoeling van Husserl is nu dus om een secure analyse te maken van de samenhang tussen het belevende subject, en de essenties van objecten anderzijds. Het is deze methode, als kenleer, die Husserl de fenomenologie noemt.
b) De leefwereld
In deel I over de Oostenrijkse School hebben wij de filosofie van Franz Brentano reeds geïntroduceerd. Ook Husserl heeft, voornamelijk onder diens invloed tijdens zijn filosofieopleiding in de jaren 1880, enkele voorname ideeën van Brentano overgenomen, waarvan de intentionaliteit de belangrijkste is: het denkend, oordelend, willend,... bewustzijn is steeds bewustzijn van een bepaald object. Zo is voor Brentano bijvoorbeeld ook het zelfbewustzijn het bewustzijn van het object 'eigen bewustzijn'. Maar daar waar Brentano zijn theorie vooral nodig had om zijn project van een descriptieve psychologie uiteen te zetten; interesseerde Husserl zich voornamelijk voor de manier waarop het bewustzijn essenties van die objecten kon vatten.
Om de methode van de fenomenologie te contrasteren met de positief-wetenschappelijke methode, gebruikt Husserl het concept van de leefwereld. Het is in de leefwereld dat de werkelijkheid ons tegemoet treedt; en het subject hiermee intentioneel in contact treedt. We kunnen het contrast tussen natuurwetenschap en fenomenologie misschien nog het best illustreren aan de hand van een voorbeeld. Neem nu een symfonie van Mozart: wat wij horen bij het luisteren naar een dergelijk muziekstuk zijn geluiden, ritmische klanken; kortom, muziek. De positivist zou echter zeggen dat het nonsens is dat wij iets 'horen': wat wij als subject 'horen' is en blijft immers eigen aan een subjectief voelende persoon, en kan nooit geobjectiveerd worden. De positieve wetenschapper zou dus aan de hand van externe waarneming, middels een decibelmeter, objectiveerbare geluidstrillingen registreren, zodanig dat het hele symfonisch werk van Mozart in dit voorbeeld kan worden uitgedrukt in een reeks van golftrillingen, amplitudes en frequenties. Maar volgens Husserl zou een dergelijke ingesteldheid compleet voorbijgaan aan het feit dat er steeds gehoord MOET worden om ook maar iets zinnigs over dit muziekstuk te stellen. Doet men dit niet, dan ontstaat er een proces van vervreemding: de leefwereld wordt dan volledig ontdaan van alle mogelijke subjectieve belevingen en gemoedstoestanden.
c) De transcendentale en eidetische reductie
De leefwereld wordt dus in eerste instantie gekenmerkt door intentionaliteit. Maar in de leefwereld verschijnt het subject echter als een wezen met allerlei naïeve vooronderstellingen omtrent tijd, ruimte, existentie,... e.d. omtrent het (intentionele) object dat hij aanschouwt (vergeet dus niet dat met object niet per se een fysisch object bedoeld wordt; maar wel het object van een bepaalde denkact!). Toch is het Husserls bedoeling een strenge wetenschap op het getouw te zetten, waarin de objectief geldige wezenskenmerken van intentionele objecten kunnen worden achterhaald.
Om tot die wezenskenmerken te kunnen komen, dient het subject zich dus te ontdoen van allerlei subjectieve vooronderstellingen zoals het bestaan van de externe wereld, en de verschillende wijzen waarop de wereld zich aan mij verschijnt. Husserl spreekt terzake over het 'tussen haakjes plaatsen' van de externe wereld, wat echter zeker niet wil zeggen dat het bestaan van een externe wereld per definitie een foutieve hypothese zou zijn, zoals iemand als Descartes zou beweren. Wat overblijft is dus een transcendentaal bewustzijn waarin de objecten ook objectief verschijnen, die in hun ware essentie ontleed kunnen worden. Deze methode noemt Husserl de fenomenologische reductie . Husserl geeft zo het voorbeeld van een wit blad dat in het halfduister ligt: wij nemen dit blad waar als zijnde 'halfduister' of 'grijs', maar dit is een “natuurlijke ingesteldheid” die tussen haakjes moet worden geplaatst. Na de fenomenologische reductie van al die onterechte ervaringen, alsof het papier ook effectief halfduister zou zijn, weet ik echter dat het wel degelijk gaat om een wit blad: het bewustzijn kan dit immers reconstrueren uit vorige waarnemingen van witte bladen.
Een tweede methode van reductie is de eidetische reductie: nadat in de fenomenologische reductie eerder al werd ontdaan van allerhande subjectieve vooronderstellingen, wordt met de eidetische reductie al 'virtueel' nagegaan welke kenmerken noodzakelijk zijn om het eidos (wezen) van een bepaald object te achterhalen. Ook hier blijkt andermaal Husserls verzet tegen een ongestructureerd empirisme. Neem als voorbeeld de waarneming van een tafel: wordt immers op verschillende manieren 'bezien' – het blad, de poten,... - maar kan nooit in één keer waargenomen worden. Husserl noemt dit de Abschattungen ('schaduwen') van een bepaald object. We zien steeds een bepaald aspect van de tafel (bijvoorbeeld de voorkant, de achterkant, vanuit een hoek van 50°,...); maar nooit de tafel in zijn geheel. Toch wordt de essentie van een tafel als zijnde een blad waar voorwerpen op kunnen worden geplaatst, en met poten onder het blad, steeds tot uiting gebracht middels de verschillende horizonten die in de waarneming vervat zitten. Husserl onderscheidt er drie:
1) de innerlijke horizon: het geheel van alle mogelijke gezichtspunten dat ik zou kunnen innemen ten aanzien van een bepaald object. Wat ik van de tafel niet kan zien, wordt als innerlijke horizon in de waarneming meegegeven.
2) De uitwendige horizon: hiermee doelt Husserl op de omgeving waarin het object zich situeert (de stoelen rond de tafel, de kamer,...) Deze horizon is onuitputtelijk en nooit onmiddellijk gegeven.
3) De tijdhorizon: de totaliteit van heden, verleden en toekomst waarin het object in een logische samenhang kan worden ge(re)construeerd.
Husserls horizonten-theorie is van belang in het maken van het onderscheid tussen reëel bestaande objecten een loutere fantasmen. Het beeld dat in een droom voorkomt mag misschien wel helder zijn, maar gezien het noch over een innerlijke horizon beschikt, noch een uitwendige (causale relaties met andere dingen in deze wereld) noch een tijdhorizon (het heeft geen verband met verleden of toekomst) dient het niet opgevat te worden als iets reëels.
d) Intersubjectiviteit
Toch blijft het ook na de eidetische reductie nog niet geheel mogelijk om tot een objectieve wezensaanschouwing van de objecten te komen. Dit komt omdat de constituering van essentiële eigenschappen ook intersubjectiviteit impliceert. Als onafhankelijk subject kan ik wel de eenheid van een bepaald object indenken, maar welke eigenschappen zijn noodzakelijk om tot die essentie te komen? Het woord 'tafel' wordt bijvoorbeeld door iedereen begrepen als een verhoogd blad met de mogelijkheid daar voorwerpen op te plaatsen. Maar hoe komt het dat wij allen hetzelfde verstaan onder het begrip 'tafel', los van de vraag of het een zwarte tafel, met vier of zes poten,... betreft? Die kwestie is dus voornamelijk taalfilosofisch van aard. Welnu, deze essentie wordt aan het licht gebracht door het feit dat ook andere subjecten (personen) eenzelfde eidetische reductie uitvoeren ten aanzien van hun intentionele objecten, en dus ook die accidentele eigenschappen dienen 'weg te snijden' die overbodig zijn om de essentie weer te geven. Die eigenschappen die vervolgens overblijven, en intersubjectief tot stand zijn gekomen, zijn dan wezenlijk voor het begrip zelf. Wat Husserl dus poogt te ondernemen, is een vorm van 'intersubjectief realisme' te bewijzen: de vormen zijn immanent aanwezig in de werkelijkheid; maar kunnen slechts middels vormen van eidetische reductie en intersubjectieve evaluatie aan het licht komen.
III. Fenomenologie en de Oostenrijkse School: een geslaagd huwelijk?
Na de publicatie van Husserls Ideen in 1913 waren de meeste van zijn studenten, waaronder Adolf Reinach, niet tevreden met de 'transcendentale wende' die Husserl doorvoerde in de fenomenologie, waardoor er vergeten zou zijn geweest dat aan iedere mentale denkact ook een reëel object dient te beantwoorden. Husserl werd dus verweten zich iets teveel in kantiaans vaarwater te begeven.
Deze kritiek lijkt ons echter tamelijk ongegrond, en wel wegens het feit dat Husserls theorie van het 'tussen haakjes plaatsen' van allerlei vooronderstellingen zeker niet verward mag worden met Descartes' twijfelexperiment. Bovendien indiceert Husserls horizonten-theorie duidelijk dat het allerminst zijn bedoeling was om bijvoorbeeld het bestaan van de buitenwereld te negeren. Integendeel; zoals wij in deel I i.v.m. Menger en Rothbard reeds hebben aangestipt, bestaat de bedoeling van de fenomenologie er net in een duidelijke correlatie weer te geven tussen subject en object. We kunnen de objecten en hun essenties slechts middels subjectgerelateerde voorstellingen doorgronden.
Welke gevolgen heeft de fenomenologie dan voor de theorie van de Oostenrijkse School? Welnu, we hebben reeds gezien bij Menger dat de methode van de Oostenrijkse School erin bestaat complexe fenomenen te reduceren naar hun elementaire, apodictisch zekere, bouwstenen. Neem nu als voorbeeld het begrip tijdpreferentie. Dit concept stelt dat personen met een hoge tijdvoorkeur minder goederen zullen kunnen consumeren, zij het echter wel sneller, en personen met een lagere tijdvoorkeur kunnen genieten van meer consumptie op langere termijn. Het begrip tijdpreferentie is dan ook cruciaal in de intresttheorie.
Maar hoe kunnen we dit concept van tijdpreferentie nu vanuit een fenomenologische ingesteldheid 'bewijzen'? Welnu, zoals Menger reeds stelde, onderzoekt de economische wetenschap ook economische fenomenen; die echt bestaan. Eerst en vooral dienen we dus 'tijdvoorkeur' in zijn basiselementen te ontleden(12) ; elementen die eenvoudig zijn om door het intentioneel bewustzijn te vatten. In het begrip 'tijdvoorkeur' zitten ondermeer de volgende begrippen vervat: handeling en economisch goed.
Van de handeling kan men zeggen dat zij steeds intentioneel is, en steeds gericht op een bepaald object. De intentionaliteit van een handeling omsluit dus eveneens haar doelgerichtheid in. Wanneer wij Husserls reductieve methodes toepassen op het begrip handeling, kunnen wij ook haar wezenlijke kenmerken achterhalen. Zo weten we dat de handeling steeds gemotiveerd wordt door een bepaalde begeerte, intentie, wens, verlangen, drift, enz. ; maar welk nu precies de concrete drijfveer is, is een taak van de psychologie; niet van de fenomenologie. De fenomenologie abstraheert slechts de essentie van de handeling; en die essentie is de motivatie an sich , zonder specifieke invulling. Dat de handeling dus een gemotiveerde actie is, is ook zinvol wanneer we dit fenomeen toetsen aan de hand van de horizon-criteria: de handeling beschikt over een inwendige horizon, want wij nemen de handeling niet 'fragmentair' waar (cfr de bundeltheorie van het zelf van Hume), maar in zijn geheel; een uitwendige horizon, want de handeling staat steeds in relatie met bepaalde middelen en doelen die we willen bereiken; en een tijdhorizon, gezien de handeling steeds in een bepaald tijdsinterval plaatsvindt.
Ook de essentie van 'economisch goed' kan fenomenologisch gevat worden. Via intersubjectieve analyse komen wij bijvoorbeeld tot de vaststelling dat ieder economisch goed gekenmerkt wordt door schaarste. Ieder goed kan immers maar één keer geconsumeerd worden door één bepaalde persoon. Schaarste vormt dus het eidos, het wezen, van economische goederen.
Men kan trouwens opmerken dat zowel menselijk handelen als schaarste opgevat dienen te worden als synthetische a priori’s: zij kunnen onmogelijk (inductief) gefalsifieerd worden; omdat het proces van falsificatie zélf reeds menselijk handelen (het opstellen van een hypothese en het verwerven van kennis) én schaarste (het gebruik van o.m. schaarse tijd binnen een menselijke context om de inductieve waarnemingen uit te voeren) vooronderstelt. In dit voorbeeldje hebben we middels de fenomenologische methode het aantal synthetische a priori’s al gevoelig kunnen uitbreiden (in tegenstelling tot wat bij Mises het geval zou zijn geweest), zonder dat deze a priori’s gevoelig zijn voor falsificatie. Hierdoor kan onze kennis van de economische wetenschap alleen maar verder in omvang toenemen.
Maar laat ons terugkeren naar ons voorbeeld in verband met tijdpreferentie
Uit deze twee simpele begrippen kan nu het concept tijdvoorkeur opgemaakt worden. Immers:
1) alle handelingen zijn doelgericht
2) economische goederen zijn schaars
3) uit (1) en (2) volgt dat handelingen gericht zijn op het verwerven van economisch schaarse goederen.
4) uit (1), (2) en (3) volgt dat economisch schaarse goederen nooit op eenzelfde moment kunnen verworven worden: het doelgericht handelen veronderstelt tevens een hiërarchische ordening van de behoeftes die bevredigd dienen te worden.
5) Uit (2) en (4) volgt het onderscheid tussen consumptiegoederen en kapitaalgoederen. Consumptiegoederen worden gekenmerkt door een actuele consumptie van het goed; kapitaalgoederen zijn consumptiegoederen in potentie : zij worden pas geconsumeerd nadat zij, als productiefactor, een vermeerdering van het aantal actuele consumptiegoederen tot stand hebben gebracht.(13)(14) Ter verduidelijking: mocht economische schaarste niet bestaan, dan zou er ook geen behoefte zijn aan kapitaalgoederen om die schaarste, tot op zekere hoogte, te overwinnen.
6) Uit (1), (2), (3), (4) en (5) volgt dan ten slotte dat op langere termijn, wanneer het kapitaalgoed verwordt tot een consumptiegoed op een tijdstip T2 , de hoeveelheid te consumeren goed groter is dan wanneer dit op een eerder tijdstip T1 zou gebeuren. Aldus is het begrip tijdpreferentie uit de voorgaande premissen gededuceerd: het uitstellen van consumptie naar een later tijdstip T2 wordt beloond met een hogere hoeveelheid consumptiegoederen ten opzichte van T1. Deze ‘meerwaarde’ wordt intrest genoemd.
Tijdpreferentie behoort dan nog tot een betrekkelijk ‘eenvoudig’ complex fenomeen; maar het is op identiek dezelfde manier mogelijk om ook veel meer ingewikkelde theorieën op dezelfde fenomenologisch-deductieve manier te achterhalen. Zo zou het ook mogelijk zijn het principe van economische calculatie en zelfs de Oostenrijkse conjunctuurtheorie (beter bekend als ABCT: Austrian Business Cycle Theory) aan de hand van slechts zeer eenvoudige premissen te achterhalen.
Deze ietwat vernieuwde methode die – we geven het grif toe - verre van voltooid is doet op het eerste zicht vermoeden dat het langs alle kanten synthetische a priori’s zou regenen, en dat hieruit dus eender wat zou kunnen worden bewezen. Dit hoeft allerminst het geval te zijn: de a priori-structuren zijn maar geldig voor zoverre zij apodictisch zeker zijn; met andere woorden, slechts geldig wanneer de methoden van fenomenologische en eidetische reductie rigoureus zijn toegepast. Zo zou de stelling “alle mensen handelen uit eigenbelang” of “alle mensen zijn altruïstisch” géén geldig synthetisch a priori zijn, omdat het predicaat ‘uit eigenbelang’ slechts een accidentele eigenschap is die ondergeschikt is aan de essentie van het handelen zélf. Zij resulteert slechts als postulaat van het naïeve, empirische bewustzijn.
Theorema’s uit andere economische scholen zouden dan weer genadeloos in conflict komen met apodictisch zekere eerste beginselen. Zo zal de monetaristische doctrine die stelt dat de geldhoeveelheid afhankelijk is van kwantitatieve gegevens, en dus instrumenteel manipuleerbaar, onmiddellijk in conflict treden met (1) het begrip menselijk handelen en (2) het begrip economische schaarste: wanneer de geldhoeveelheid gemanipuleerd kan worden, is deze niet schaars meer, wat een absurde gedachte is, gezien geld – cfr principes (1) en (2) – een goed is dat schaarse goederen representeert.
Het zou ons echter nog tot een eindeloze lijst leiden om alle voorbeelden en tegenvoorbeelden op te stellen. De bedoeling van dit essay was immers niet om specifiek aan economische wetenschap te doen, danwel enkele kentheoretische vooronderstellingen ervan nader aan het licht te brengen.
IV. Besluit
Het weze voor de lezer duidelijk dat deze bijdrage verre van ‘af’ is: zowel de fenomenologie als de Oostenrijkse School hebben gedurende lange tijd andere paden begaan, en de contacten die – zeker in de jaren 1920 en 1930 – tussen fenomenologie en Oostenrijkse School hebben bestaan, waren veeleer sporadisch van aard. Hierbij valt dan nog het meest de naam van Alfred Schutz op, die in de jaren 1920 mee deelnam aan de private seminaries van Ludwig von Mises in Wenen. Toch heeft de fenomenologie, zeker voor de Mengeriaanse en Rothbardiaanse variant van de Oostenrijkse School, een zeer belangrijke rol te vervullen, omdat zij net laat zien op welke manier het bewustzijn van een onderzoekend subject de wezenskenmerken van de (sociaal-economische) werkelijkheid kan vatten.
Deze methode is dus enerzijds gebaseerd op de descriptieve psychologie van Franz Brentano (de aanschouwing van de werkelijkheid door middel van intentionele acten), en anderzijds op een zekere vorm van logica (uitzuiveren van inconsistente opvattingen met betrekking tot de werkelijkheid door middel van fenomenologische en eidetische reductie; en het nagaan van de drie horizonten, binnen dewelke het object na eidetische reductie steeds verschijnt.)
Dat de fenomenologie als (mogelijke) methode binnen de Oostenrijkse School zo weinig invloed heeft gehad heeft te maken met, zoals in de inleiding reeds opgemerkt, Mises’ neokantiaanse opvattingen omtrent de economische wetenschap. En vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw, toen Rothbard iets dominanter op de voorgrond trad, bleef de fenomenologie eveneens ver weg van de Oostenrijkse School; omdat deze ondertussen reeds geassocieerd werd met een vorm van duister, ontoegankelijk hermeneutisch denken.(15) De methode van de Oostenrijkers werd (en wordt vandaag de dag nog altijd) door de mainstream-economisten getypeerd als dogmatisch en metafysisch; en dan zou het al helemaal geen verstandige zet zijn om je naam (zeker in de VS!) te linken aan een obscure continentale denker als Martin Heidegger of Maurice Mérleau-Ponty.
De hermeneutische en existentiële fenomenologie liggen ondertussen in boeken gebonden te bestoffen in de antiekkasten van de wijsbegeerte (gelukkig maar!), dus mag er anno 2009 gerust meer durf aan de dag gelegd te worden om de fenomenologie in haar oorspronkelijke betekenis, als strenge wetenschap, terug te doen herleven in de sociale en geesteswetenschappen(16) . Onze hoop bestaat er dan ook in dat deze bescheiden, en misschien niet altijd even zorgvuldig uitgewerkte, bijdrage – die meer een ‘aanzet tot’ danwel een finaal uitgewerkt paradigma - de methodologische discussie binnen de Oostenrijkse School terug kan doen oplaaien.
Noten:
(1)Voor een meer inleidende beschouwing over de methodologische werkwijze van de Oostenrijkse School; zie bijvoorbeeld Hans-Hermann Hoppes Economic Science and The Austrian Method, beschikbaar op http://mises.org/esandtam.asp . Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat Hoppe voornamelijk zijn aandacht richt op de neokantiaanse methodologie van Ludwig von Mises; een positie die verder in dit essay echter kritisch zal worden belicht.
(2)De methodologie van Hayek zal in het verdere verloop echter niet expliciet aan bod komen, wegens de nogal grote onduidelijkheid van het statuut van zogenaamde 'falsifieerbare hypothesen' (geïnspireerd door Hayeks goede vriend Karl Popper) in diens kenleer.
(3)Tragisch genoeg heeft Husserl, die hoewel protestant etnisch van joodse origine was, zijn leerstoel aan de Universiteit van Freiburg in 1933 moeten afstaan aan zijn assistent (en vrijwillig NSDAP-lid!) Martin Heidegger; die de nobele filosofische discipline der fenomenologie heeft ondergedompeld in een onverteerbaar hermeneutisch-existentialistisch sausje, dat na de Tweede Wereldoorlog gretig werd opgerakeld door meesters in het mistschrijven als Jean-Paul Sartre en Emannuel Lévinas. Met andere woorden: hoewel de fenomenologie een beslissende invloed heeft gehad op de filosofie van de 20ste eeuw, is zij – op het Europese vasteland dan toch – in feite ten onder gegaan na het overlijden van Husserl.
(4)Zie o.m. Grassl, Wolgang en Smith, Barry (eds.); Austrian Economics: Historical and Philosophical Background, London: Croom Helm, 1986, 250p. , alsook Zanotti, Gabriel J.; “Intersubjectivity, Subjectivism, Social Sciences and the Austrian School of Economics”, Journal of Markets and Morality 10 (2007) 1, p. 115-141
(5)Brentano noemde in zijn hoofdwerk, Psychologie vom Empirischen Standpunkte (1874), zijn ‘descriptieve psychologie’ soms ook fenomenologie.
(6)Zie De Soto, Jesus Huerta;” Juan De Mariana: The Influence of The Spanish Scholastics”, Ludwig von Mises Institute, http://mises.org/about/3238
(7)Let wel op: a priori-kennis wordt bij Menger empirische (!) kennis genoemd. Vandaag de dag wordt bij de term ‘empirisch’ onmiddellijk gedacht aan de natuurwetenschappelijke, indudctieve wetenschap; maar deze betekenis heeft het zeker niet voor Menger. Voor hem is ‘empirisch’, datgene wat aan de eerstepersoonservaring kan ontleend worden (onmiddellijk intuïtief te vatten waarheden en zekerheden, die apodictisch zeker zijn). Deze terminologie neemt Menger dus over van Brentano.
(8) Rothbard, Murray N.; “Praxeology as the Method of Economics” in Natanson, Maurice (ed.), Phenomenology and The Social Sciences (vol. II), Evanston: Northwestern University Press, 1973, p. 311-339
(9) Rothbard, Murray N.; In Defense of “Extreme Apriorism”, Ludwig von Mises Institute, http://mises.org/rothbard/extreme.pdf
(10)Mises, Ludwig von; Human Action: A Treatise On Economics; Irvington-on-Hudson: Foundation For Economic Education, 1998, p. 38
(11)Ibid, p. 38
(12)In de werkelijkheid van de economische wetenschap gebeurt echter net het tegenovergestelde: daar is het net de bedoeling om, beginnende van een aantal principes, een hele theorie op te bouwen. Gemakshalve, en louter ter illustratie, doen wij hier dus het omgekeerde.
(13)We gebruiken de termen ‘actualiteit’ en ‘potentie’ hier in zuivere Aristotelische betekenis
(14)De kritische lezer zal wellicht opgemerkt hebben dat het begrip ‘productiefactor’ ook al zo’n zaak is die op zich een fenomenologische analyse (= analyse van bouwstenen) behoeft. Om de tekst ietwat overzichtelijk te houden, is dit hier echter niet gebeurd.
(15)Zie Rothbard, Murray N.; “The Hermeneutical Invasion of Philosophy and Economics”, Ludwig von Mises Institute, http://mises.org/story/2337
(16)Over het nut van de fenomenologische methode in de natuurwetenschappen willen wij hier geen oordeel vellen; hoewel Mises’ idee van een methodologisch individualisme op het eerste zicht zeker nog relevant lijkt. In de natuurwetenschappen is het immers veel moeilijker om apodictische, niet-falsifieerbare eerste zekerheden te vinden: de methode van de fenomenologie aldaar zou dus wellicht eerder leiden tot scholastieke speculatie danwel tot waarachtige wetenschap.
zaterdag 2 mei 2009
maandag 13 april 2009
Wegen naar vrijheid: waarom u op 7 juni beter 'bollekes' drinkt dan kleurt.
Dat het liberalisme een huis is met vele kamers, is een metafoor die ondertussen nagenoeg bekend zal zijn. Dat misschien niet meteen het grootste, maar wel het mooist ingerichte compartiment van dat huis – een salonkamer met dressoir in Louis XV-stijl en vergulde lambrisering – gereserveerd is voor het anarcho-kapitalisme is misschien minder gemeengoed, doch des te reëler, gezien het net de anarcho-kapitalistische (bij uitbreiding rekenen we hier ook de kritarchisten toe) variant van het liberalisme is die, zonder gebruik te maken van geparfumeerde eufemismen, de staat weet te ontmaskeren als de bron van alle vrijheidsberoving.
Maar wanneer zich de vraag stelt hoe het einddoel van een anarcho-kapitalistische filosofie – een samenlevingsorde gebaseerd op vrijwillige interactie en wederzijds respect ten aanzien van andermans middelendomein – zich dient te realiseren, blijkt ook het salon zich in tweeën te delen, en wordt er gretig met porseleinen kopjes, zilveren theelepeltjes en ander Delfts blauw om de oren gesmeten. Gezien het feit dat het huidige bestaan van de staat nog steeds een jammerlijk doch (vooralsnog) onafwendbaar gegeven is, wordt binnen libertarische en anarcho-kapitalistische middens zich vaak de vraag gesteld hoe, binnen deze constellatie, het ‘eindproduct’ – zijnde de capitulatie van de staat en de verwerving van de totale vrijheid – het best nagestreefd kan worden. Hierin zijn dan twee mogelijkheden: ofwel door de verschillende politieke vrijheden en burgerrechten optimaal te benutten en zo een ‘stapsgewijze’ totstandkoming van de (klassiek-liberale) vrijheden te bewerkstelligen (cfr. Poppers ‘piecemeal engineering’(1)), ofwel door zich radicaal te distantiëren van het politieke systeem en door middel van ideeënoverdracht het intellectuele klimaat proberen te wijzigen. Ik zal zelf een poging ondernemen een verdediging van het laatstgenoemde standpunt weer te geven.(2)
I. Een ontleding van het politiek-maatschappelijk bestel
Zoals Jürgen Habermas – die op vele vlakken behalve zijn eindconclusies best wel rake punten weet te scoren – op voortreffelijke wijze heeft proberen aan te tonen in zijn Theorie des Kommunikativen Handelns (1981), wordt een maatschappij geconstitueerd door twee operationele terreinen, namelijk de ‘leefwereld’ en het ‘systeem’. Daar waar in de leefwereld diverse actoren op basis van vrij toegankelijke dialoog en los van iedere vorm van dwang proberen tot een consensus te komen betreffende een gehele variëteit aan normatieve regels, ontbreekt iedere vorm van spontane en vrije dialoog in het ‘systeem’, waarin regels ontspruiten die – los van enige voorafgaande dialoog of consensus – gebaseerd zijn op een strategische doel-middelenrationaliteit. Echter, wanneer het systeem zich losmaakt van zijn natuurlijke bedding in de leefwereld, treedt een proces van vervreemding (!) op: de opgestelde regels en modi operandi van het systeem zijn dan niet langer meer in overeenstemming met wat in de leefwereld gebeurt (of om het met een parool te zeggen: ze vertolken niet meer wat de mensen denken). Habermas maakte jammer genoeg de fout door te stellen dat bijvoorbeeld de economie tot het systeem behoort, omdat hierin een dominante doel-middelenrationaliteit de overhand zou nemen. Dit is echter flagrant onjuist, omdat het immers in de economie (toch alleszins in het vrije marktmodel – waarnaar Habermas overigens expliciet verwijst) is waar verschillende actoren op vrije wijze en los van enige dwang overleg en discussie plegen i.v.m. verkoopprijzen, ruilwaardes,… Het zou ons echter te ver leiden hier dieper op in te gaan.
Voor de rest van ons betoog heeft de theorie van Habermas echter verstrekkende gevolgen. Immers, wat vanuit een natuurrechtelijk-filosofisch standpunt zeker als een ‘systeem’ kan beschouwd worden, is net het politieke systeem, waar – overigens ongeacht de concrete bestuursvorm (oligarchie, democratie, dictatuur, meritocratie,…) – door middel van wetgeving en het beroven van andermans middelendomein middels belastingen een complete breuk ontstaat met de leefwereld; het domein van de argumentatie-ethiek waar ieder mens als een met rede begiftigd wezen wordt beschouwd, en op die manier als gelijke deelheeft aan universele natuurrechten. In concreto betekent de breuk tussen systeem en leefwereld zoveel als een breuk tussen rechtspositivisme en natuurrecht.
Nu kan er echter tegengeworpen worden: het is toch niet juist dat het huidige (Westerse) politieke bestel als een vervreemdend systeem moet beschouwd worden? Immers, vooraleer er in de diverse parlementen, regeringsraden en intergouvernementele organisaties gestemd wordt over een nieuw stuk wetgeving, gaat hier vaak toch een heel debat vooraf? Overigens niet alleen met de betrokken parlements- en/of regeringsleden, maar met diverse actoren uit het maatschappelijk middenveld zoals vakbonden, ngo’s, drukkingsgroepen,… . En wie weet, als het werkelijk een zeer heet hangijzer betreft, kan het volk direct geraadpleegd worden middels een referendum. Kortom, waarom zou dit “systeem” dan illegitiem zijn?
Ik wil hier nu geen betoog doen, zoals dat in sommige middenstandsverenigingen het geval is, over de tanende kwaliteit van de publieke participatie, of de toenemende particratie die ervoor zorgt dat wetten, decreten en reglementen tegen een Thalys-snelheid worden aangenomen en steeds meer op worsten beginnen te gelijken (3) . Het probleem ligt echter veel dieper: de onverzoenbaarheid van een (positivistisch ingesteld) politiek systeem enerzijds en een (libertarisch/natuurrechtelijke) leefwereld anderzijds ligt gewoon in de basispremissen van beide domeinen.
Vooreerst is het hem in de politiek – als instituut dat positiefrechtelijke regels uitvaardigt – te doen om het zogenaamde algemeen belang van de maatschappij. Van Thomas Hobbes hebben we echter geleerd dat de idee van het ‘bonum commune’ slechts een dwaze maskerade is (4): vaak is datgene wat voor “het algemeen belang” verkocht wordt, in het beste geval nog ‘de som der delen’. Maar meestal zijn het net particuliere belangen die binnen de machtsstructuren van de staat worden nagestreefd. Deze verschillende particuliere belangen groeperen zich dan ondermeer in politieke partijen, die zoveel mogelijk de wensen van hun specifieke achterban proberen te verwezenlijken.(5) Wat er dan ontstaat, is een heuse koehandel van waardes, ideeën en programmapunten: coalitiepartner A mag zijn geliefkoosde maatregel x invoeren, als coalitiepartner B dan y mag doen. Bijvoorbeeld: de liberalen mogen een btw-verlaging doorvoeren, op voorwaarde dat de socialistische regeringspartners een middelenverhoging voor de sociale zekerheid kunnen afdwingen. Enzovoort, enzoverder. Maar wat zo typisch is voor de staat, is dat zij zichzelf uitsluitend weet te bestendigen door middel van diefstal, roof en dwang: zij kan slechts functioneren door andere mensen hun middelen te ontnemen en hun vrijheid te beroven. Hiermee is dan ineens het essentiële verschil aangetoond tussen argumentatie in de leefwereld enerzijds, en in het politieke systeem anderzijds: inherent aan de definitie van de politiek, die zich in allerhande staatsstructuren weet ingekapseld, is het gebruik van geweld. Hierin ligt dus een praktische contradictie besloten, want men kan onmogelijk enerzijds beweren ‘vrij’ en ‘los van enige vorm van dwang’ te argumenteren, en anderzijds toch nog dwang uitoefenen door (te dreigen met) het uitvaardigen van wetgeving en belastingen.
Bovendien ontbreekt het in het politiek systeem aan enige fenomenologische omkadering: de discussie in de leefwereld is vrij en voor ieder mens toegankelijk, net omdat de ander me er verschijnt als een wezen met de kwalitatieve essentie van mens-zijn (= principe van intersubjectieve gelijkheid). Maar in het politiek systeem ontbreekt dit kader: de toegangs- en toetredingsvoorwaarden tot de discussie kunnen willekeurig worden bepaald en veranderd (burger zijn van deze of gene staat, lidmaatschap van een partij,…), en maakt dus dat de discussie in het politiek systeem nooit (kan) gaan over universele waarden, en dus met het recht in feite weinig tot niets van doen hebben.(6)
II. Over de onmogelijkheid van het libertarisme tot politieke actie
Nu zal iedere rechtgeaarde libertariër wellicht bovenstaande schets van het politieke systeem niet kunnen of durven ontkrachten. Dus stelt zich de vraag of het voor de libertariër wel legitiem zou zijn zich op het politieke terrein te begeven: zoals reeds in het begin aangegeven, luidt mijn ondubbelzinnig antwoord hierop ‘neen’.
Het is immers dwaas te denken het machtsspel te kunnen meespelen zonder in eigen vel te zullen snijden. Het politieke bedrijf is als een dobbelspel: soms kun je met de teerlingen een hoog aantal ogen gooien; soms verlies je. Doch, de libertariër heeft geen boodschap aan een spel waarvan de uitslag onzeker is: hij verkiest – vanzelfsprekend – alles te kunnen winnen; want absolute vrijheid wordt immers niet afgekocht. Het Popperiaanse model van ‘piecemeal engineering’ is hierbij nog het meest zachtgekookt van al: wie denkt door politieke betrokkenheid bij of (bij verkiezingen) stemmen op zelfverklaarde liberale partijen (in Vlaanderen van het model VLD of Lijst Dedecker) enige zode aan de dijk zal brengen, dwaalt. Niet alleen is het zo dat de programma’s van dergelijke partijen mijlenver staan van wat een libertarische rechtstheorie inhoudt, maar zelfs wanneer we de door hen voorgestelde maatregelen als een vlaktaks zouden beschouwen als een “stap in de goede richting” (mits we de nodige utilitaire draai geven aan onze theorie…) is het dwaas te denken dat dit ook maar enige substantiële verandering oplevert: niet alleen zou zo’n verlaagde vlaktaks nog altijd simpelweg diefstal zijn, maar bovendien is het verre van uitgesloten dat bij een volgende verkiezing een andere partij zijn programma uitvoert, en het verlaagde belastingtarief tenietdoet. Met andere woorden: het Popperiaanse model dreigt reeds bij voorbaat op de klippen te lopen.
En wat als er nu eens een échte libertarische partij zou bestaan in Vlaanderen, die als enige politiek te realiseren programmapunt de afschaffing van de staatsinstellingen nastreeft? Ook dan verdient deze partij slechts weinig krediet: ten eerste is het maar weinig plausibel dat deze partij een lang leven beschoren is in het politieke systeem (zij wilt als een bacterie van binnenuit het systeem aanvreten), omdat alle “democratische” krachten (en iedere libertariër strijdt nu eenmaal tegen democratie, welk slechts een verholen dictatuur van het proletariaat is) binnen het politieke systeem deze partij zullen tegenwerken (zoals rond het Vlaams Belang ook een cordon sanitaire is gesmeed, omdat deze partij een welbepaald type van politiek systeem – de Belgische staat – wil uitschakelen). En in dat geval kan deze libertarische partij niet veel anders doen dan mee rond te draaien in de mesthoop die het politieke bestel uitmaakt, en vervalt ook haar rol slechts in die van Popperiaanse piecemael engineer.
III. Systeem versus leefwereld: naar een dialectisch libertarisme
We hebben de naam van Karl R. Popper in dit opstel al enkele keren laten vallen. Het schijnt mij echter dat een andere wetenschapsfilosoof veel interessanter kan zijn om een strategische weg naar de vrijheid uit te tekenen. Deze filosoof is niemand dan Thomas S. Kuhn, die in 1962 veel ophef veroorzaakte met zijn boek The Structure of Scientific Revolutions. Hierin werd het klassieke popperiaans-positivistische wetenschapsfilosofische idee dat wetenschap slechts geleidelijk door middel van verificatie en falsificatie evolueert aangevallen. Kuhn lanceerde hierop echter de idee van het paradigma: een bepaalde groep of school wetenschappers werkt steeds binnen een kader van theoretische vooronderstellingen, premissen en methoden (= geheel van randvoorwaarden ofte paradigma). Doch, het is steeds mogelijk dat er door andere wetenschappers – die binnen een ander paradigma opereren – kritiek wordt geleverd op het heerserende paradigma (binnen een bepaalde wetenschappelijke discipline). Kuhn stelt dan dat beide paradigma’s incommensurabel zijn: er zijn geen objectieve of paradigma-overstijgende maatstaven die kunnen aantonen welke wetenschappelijke theorie de beste is. Tot de ene groep of school wetenschappers hiaten in de theorie van de tegenpartij weet te vinden: vanaf dan wordt het ene paradigma verlaten ten aanzien van de andere.
Als historisch voorbeeld geeft Kuhn de revoluties in de astronomie van de 17de eeuw weer: tot en met Copernicus werd nog gebruik gemaakt van een paradigma, dat bestond uit theoretische vooronderstellingen die door Aristoteles en Ptolemaeus van Alexandrië werden ontwikkeld. Wegens de weinig accurate observatiemogelijkheden in de Oudheid, ontwikkelden Aristoteles en Ptolemaeus een ingewikkeld kosmologisch systeem bestaande uit diverse concentrische cirkels (dit diende voornamelijk om de retrograde beweging van de planeten te kunnen verklaren), en deze set van vooronderstellingen werd steeds maar ingewikkelder naarmate de theorieën zich, binnen hetzelfde paradigma, verder ontwikkelden. Totdat Galilei op de proppen kwam met een nieuwe theorie, gebaseerd op zijn recent ontwikkelde bewegingsleer (die op zich ook een felle verwerping van de Aristotelische fysica inhield!), werd echter het antieke model voorgoed naar de prullenmand verwezen. Vanaf toen heerste een nieuw paradigma, aldus Kuhn.
Wat kunnen we hier nu uit leren? Vooreerst schetst Kuhn een veeleer dialectisch model van de wetenschap. Verre van een obscurantistische, deterministische dialectiek met vooraf gegeven finale doelen te zijn (zoals Hegel en Marx voorstelden), poneert Kuhn een contingente dialectiek waarbij de eindresultaten zeker verre van op voorhand gegeven zijn. Een bepaald paradigma dat momenteel nu overheerst, zal binnen een aantal jaar allicht weer verdwijnen, maar wat dit dan concreet gaat verworden, kan niemand voorspellen.
In de rechtstheorie kan eenzelfde dialectisch model evenzeer worden teweeggebracht. Heden ten dage staan twee paradigma’s lijnrecht tegenover elkaar: enerzijds dat van het rechtspositivisme, dat een geïnstitutionaliseerd systeem vooronderstelt welke zich het alleenrecht voorbehoudt om “het recht” onder de vorm van dikke wetboeken te produceren; en anderzijds het paradigma van het libertarische natuurrecht dat de klemtoon legt op de mens als redelijk wezen dat zich in een vrije (fenomenologische) leefwereld bevindt, en als waarheidszoekend individu ook de onvervreemdbare natuurrechten, middels de rede, weet te vinden. Tussen deze twee paradigma’s zal de intellectuele strijd plaatsvinden, en het is dan ook van het grootste belang dat zij die zich libertariër noemen, zich onvoorwaardelijk achter de ideeën van de leefwereld scharen, en dan ook van hieruit proberen de nieuwe paradigmawending te doen voltrekken.
De leefwereld is een domein dat nog verre van verloren is, hoewel sterk aangetast door de negatieve invloeden van het politiek-geïnstitutionaliseerde systeem. Zij vormt het geheel van alle vrije interacties tussen individuen, dat zich kristaliseert in het ontstaan van verenigingen, onderzoeksinstellingen, scholen (niet-gesubsidieerd), clubs,... Het is hierin dat het vrije woord van het libertarisme met luide stem vertolkt dient te worden door middel van educatie, lezingen, publicaties, ja, zelfs militante betogingen, om zo een nieuwe wind door de ideeënwereld (gelieve deze term niet Platoons op te vatten...) te blazen; want het zijn tenslotte menselijke ideeën, en zij alleen, die een nieuwe paradigmaverschuiving kunnen veroorzaken.
IV. Conclusie: wat te doen op 7 juni
Uit het voorgaande kan dus een tamelijk negatief beeld opgemaakt worden over de mogelijkheid van libertariërs om over te gaan tot politieke actie. Ik pretendeer hier zeker niet een pauselijke encycliek uit te vaardigen die zegt wat u moet doen in het stemhokje. Toch is ook het inkleuren van een bolletje op het stemformulier (of het elektronisch aanvinken ervan) steeds een vorm van collaboratie met de politieke kaste: hoe je het ook bekijkt, een stem op een politieke partij of voor een bepaalde politicus is in feite een impliciete goedkeuring van het paradigma van het rechtspositivistische discours; het paradigma van de uitbuiting.
Voor zij die zich, als trouwe libertariër, toch een beetje verweesd voelen dat zij principieel niet mogen meedoen aan deze electorale wedstrijd bollekes kleuren, kan ik alleen maar de raad geven zich die zondagnamiddag naar een zonnig terrasje ergens tussen de Grote Markt en de Groenplaats in Antwerpen: bollekes genoeg; geserveerd in een halfrond glas met een schuimende kraag. Iets waar geen enkele libertariër, en allerminst ondergetekende, iets op kan tegenhebben.
Noten:
(1) Zie Popper, Karl R., The Open Society and its Enemies: the spell of Plato (vol. I), London: Routledge, 1945, chapter IX
(2) Het is echter spijtig om vast te stellen dat een nochtans briljant libertariër als Murray Rothbard de complete onverzoenbaarheid van libertarisme en politieke actie niet inzag. Zie hiervoor zijn For a New Liberty, New York: McMillan Publishing, 1973, chapter 15. Een mijns inziens correcte inschatting van het politiek-maatschappelijk bestel werd gegeven door Frank van Dun: On The Way to the Voting Booth, september 2006, http://users.ugent.be/~frvandun/Texts/Articles/FVD-Guttman.pdf .
(3) Deze vergelijking verwijst naar een beroemde uitspraak van de Duitse kanselier Otto von Bismarck (1815-1898): “Van twee dingen kun je beter niet weten hoe ze werden gemaakt: worst en wetten.”
(4) Hobbes, Thomas; Leviathan, 1651, chapter XVII
(5) Op zich is een politieke partij natuurlijk ook al een abstractie van de verschillende, hoogst particuliere belangen die het militanten- en kiezerskorps van die partij vormt.
(6) Met uitzondering van de grote fictie over de “universele mensenrechten” , zoals verkondigd door de Verenigde Naties. In werkelijkheid zijn ook dit slechts hersenspinsels van politieke machthebbers, en dient er dus ook steeds dwang uitgeoefend te worden om deze rechten uitgevoerd te worden (bv. de hele resem sociaal-economische rechten die in het U.V.R.M. opgesomd staan). Over de fictie van (positiefrechtelijk bepaalde) universele mensenrechten, zie Van Dun, Frank; De Utopie van de Mensenrechten, april 2003, http://rothbard.be/artikels/74-de-utopie-van-de-mensenrechten
Maar wanneer zich de vraag stelt hoe het einddoel van een anarcho-kapitalistische filosofie – een samenlevingsorde gebaseerd op vrijwillige interactie en wederzijds respect ten aanzien van andermans middelendomein – zich dient te realiseren, blijkt ook het salon zich in tweeën te delen, en wordt er gretig met porseleinen kopjes, zilveren theelepeltjes en ander Delfts blauw om de oren gesmeten. Gezien het feit dat het huidige bestaan van de staat nog steeds een jammerlijk doch (vooralsnog) onafwendbaar gegeven is, wordt binnen libertarische en anarcho-kapitalistische middens zich vaak de vraag gesteld hoe, binnen deze constellatie, het ‘eindproduct’ – zijnde de capitulatie van de staat en de verwerving van de totale vrijheid – het best nagestreefd kan worden. Hierin zijn dan twee mogelijkheden: ofwel door de verschillende politieke vrijheden en burgerrechten optimaal te benutten en zo een ‘stapsgewijze’ totstandkoming van de (klassiek-liberale) vrijheden te bewerkstelligen (cfr. Poppers ‘piecemeal engineering’(1)), ofwel door zich radicaal te distantiëren van het politieke systeem en door middel van ideeënoverdracht het intellectuele klimaat proberen te wijzigen. Ik zal zelf een poging ondernemen een verdediging van het laatstgenoemde standpunt weer te geven.(2)
I. Een ontleding van het politiek-maatschappelijk bestel
Zoals Jürgen Habermas – die op vele vlakken behalve zijn eindconclusies best wel rake punten weet te scoren – op voortreffelijke wijze heeft proberen aan te tonen in zijn Theorie des Kommunikativen Handelns (1981), wordt een maatschappij geconstitueerd door twee operationele terreinen, namelijk de ‘leefwereld’ en het ‘systeem’. Daar waar in de leefwereld diverse actoren op basis van vrij toegankelijke dialoog en los van iedere vorm van dwang proberen tot een consensus te komen betreffende een gehele variëteit aan normatieve regels, ontbreekt iedere vorm van spontane en vrije dialoog in het ‘systeem’, waarin regels ontspruiten die – los van enige voorafgaande dialoog of consensus – gebaseerd zijn op een strategische doel-middelenrationaliteit. Echter, wanneer het systeem zich losmaakt van zijn natuurlijke bedding in de leefwereld, treedt een proces van vervreemding (!) op: de opgestelde regels en modi operandi van het systeem zijn dan niet langer meer in overeenstemming met wat in de leefwereld gebeurt (of om het met een parool te zeggen: ze vertolken niet meer wat de mensen denken). Habermas maakte jammer genoeg de fout door te stellen dat bijvoorbeeld de economie tot het systeem behoort, omdat hierin een dominante doel-middelenrationaliteit de overhand zou nemen. Dit is echter flagrant onjuist, omdat het immers in de economie (toch alleszins in het vrije marktmodel – waarnaar Habermas overigens expliciet verwijst) is waar verschillende actoren op vrije wijze en los van enige dwang overleg en discussie plegen i.v.m. verkoopprijzen, ruilwaardes,… Het zou ons echter te ver leiden hier dieper op in te gaan.
Voor de rest van ons betoog heeft de theorie van Habermas echter verstrekkende gevolgen. Immers, wat vanuit een natuurrechtelijk-filosofisch standpunt zeker als een ‘systeem’ kan beschouwd worden, is net het politieke systeem, waar – overigens ongeacht de concrete bestuursvorm (oligarchie, democratie, dictatuur, meritocratie,…) – door middel van wetgeving en het beroven van andermans middelendomein middels belastingen een complete breuk ontstaat met de leefwereld; het domein van de argumentatie-ethiek waar ieder mens als een met rede begiftigd wezen wordt beschouwd, en op die manier als gelijke deelheeft aan universele natuurrechten. In concreto betekent de breuk tussen systeem en leefwereld zoveel als een breuk tussen rechtspositivisme en natuurrecht.
Nu kan er echter tegengeworpen worden: het is toch niet juist dat het huidige (Westerse) politieke bestel als een vervreemdend systeem moet beschouwd worden? Immers, vooraleer er in de diverse parlementen, regeringsraden en intergouvernementele organisaties gestemd wordt over een nieuw stuk wetgeving, gaat hier vaak toch een heel debat vooraf? Overigens niet alleen met de betrokken parlements- en/of regeringsleden, maar met diverse actoren uit het maatschappelijk middenveld zoals vakbonden, ngo’s, drukkingsgroepen,… . En wie weet, als het werkelijk een zeer heet hangijzer betreft, kan het volk direct geraadpleegd worden middels een referendum. Kortom, waarom zou dit “systeem” dan illegitiem zijn?
Ik wil hier nu geen betoog doen, zoals dat in sommige middenstandsverenigingen het geval is, over de tanende kwaliteit van de publieke participatie, of de toenemende particratie die ervoor zorgt dat wetten, decreten en reglementen tegen een Thalys-snelheid worden aangenomen en steeds meer op worsten beginnen te gelijken (3) . Het probleem ligt echter veel dieper: de onverzoenbaarheid van een (positivistisch ingesteld) politiek systeem enerzijds en een (libertarisch/natuurrechtelijke) leefwereld anderzijds ligt gewoon in de basispremissen van beide domeinen.
Vooreerst is het hem in de politiek – als instituut dat positiefrechtelijke regels uitvaardigt – te doen om het zogenaamde algemeen belang van de maatschappij. Van Thomas Hobbes hebben we echter geleerd dat de idee van het ‘bonum commune’ slechts een dwaze maskerade is (4): vaak is datgene wat voor “het algemeen belang” verkocht wordt, in het beste geval nog ‘de som der delen’. Maar meestal zijn het net particuliere belangen die binnen de machtsstructuren van de staat worden nagestreefd. Deze verschillende particuliere belangen groeperen zich dan ondermeer in politieke partijen, die zoveel mogelijk de wensen van hun specifieke achterban proberen te verwezenlijken.(5) Wat er dan ontstaat, is een heuse koehandel van waardes, ideeën en programmapunten: coalitiepartner A mag zijn geliefkoosde maatregel x invoeren, als coalitiepartner B dan y mag doen. Bijvoorbeeld: de liberalen mogen een btw-verlaging doorvoeren, op voorwaarde dat de socialistische regeringspartners een middelenverhoging voor de sociale zekerheid kunnen afdwingen. Enzovoort, enzoverder. Maar wat zo typisch is voor de staat, is dat zij zichzelf uitsluitend weet te bestendigen door middel van diefstal, roof en dwang: zij kan slechts functioneren door andere mensen hun middelen te ontnemen en hun vrijheid te beroven. Hiermee is dan ineens het essentiële verschil aangetoond tussen argumentatie in de leefwereld enerzijds, en in het politieke systeem anderzijds: inherent aan de definitie van de politiek, die zich in allerhande staatsstructuren weet ingekapseld, is het gebruik van geweld. Hierin ligt dus een praktische contradictie besloten, want men kan onmogelijk enerzijds beweren ‘vrij’ en ‘los van enige vorm van dwang’ te argumenteren, en anderzijds toch nog dwang uitoefenen door (te dreigen met) het uitvaardigen van wetgeving en belastingen.
Bovendien ontbreekt het in het politiek systeem aan enige fenomenologische omkadering: de discussie in de leefwereld is vrij en voor ieder mens toegankelijk, net omdat de ander me er verschijnt als een wezen met de kwalitatieve essentie van mens-zijn (= principe van intersubjectieve gelijkheid). Maar in het politiek systeem ontbreekt dit kader: de toegangs- en toetredingsvoorwaarden tot de discussie kunnen willekeurig worden bepaald en veranderd (burger zijn van deze of gene staat, lidmaatschap van een partij,…), en maakt dus dat de discussie in het politiek systeem nooit (kan) gaan over universele waarden, en dus met het recht in feite weinig tot niets van doen hebben.(6)
II. Over de onmogelijkheid van het libertarisme tot politieke actie
Nu zal iedere rechtgeaarde libertariër wellicht bovenstaande schets van het politieke systeem niet kunnen of durven ontkrachten. Dus stelt zich de vraag of het voor de libertariër wel legitiem zou zijn zich op het politieke terrein te begeven: zoals reeds in het begin aangegeven, luidt mijn ondubbelzinnig antwoord hierop ‘neen’.
Het is immers dwaas te denken het machtsspel te kunnen meespelen zonder in eigen vel te zullen snijden. Het politieke bedrijf is als een dobbelspel: soms kun je met de teerlingen een hoog aantal ogen gooien; soms verlies je. Doch, de libertariër heeft geen boodschap aan een spel waarvan de uitslag onzeker is: hij verkiest – vanzelfsprekend – alles te kunnen winnen; want absolute vrijheid wordt immers niet afgekocht. Het Popperiaanse model van ‘piecemeal engineering’ is hierbij nog het meest zachtgekookt van al: wie denkt door politieke betrokkenheid bij of (bij verkiezingen) stemmen op zelfverklaarde liberale partijen (in Vlaanderen van het model VLD of Lijst Dedecker) enige zode aan de dijk zal brengen, dwaalt. Niet alleen is het zo dat de programma’s van dergelijke partijen mijlenver staan van wat een libertarische rechtstheorie inhoudt, maar zelfs wanneer we de door hen voorgestelde maatregelen als een vlaktaks zouden beschouwen als een “stap in de goede richting” (mits we de nodige utilitaire draai geven aan onze theorie…) is het dwaas te denken dat dit ook maar enige substantiële verandering oplevert: niet alleen zou zo’n verlaagde vlaktaks nog altijd simpelweg diefstal zijn, maar bovendien is het verre van uitgesloten dat bij een volgende verkiezing een andere partij zijn programma uitvoert, en het verlaagde belastingtarief tenietdoet. Met andere woorden: het Popperiaanse model dreigt reeds bij voorbaat op de klippen te lopen.
En wat als er nu eens een échte libertarische partij zou bestaan in Vlaanderen, die als enige politiek te realiseren programmapunt de afschaffing van de staatsinstellingen nastreeft? Ook dan verdient deze partij slechts weinig krediet: ten eerste is het maar weinig plausibel dat deze partij een lang leven beschoren is in het politieke systeem (zij wilt als een bacterie van binnenuit het systeem aanvreten), omdat alle “democratische” krachten (en iedere libertariër strijdt nu eenmaal tegen democratie, welk slechts een verholen dictatuur van het proletariaat is) binnen het politieke systeem deze partij zullen tegenwerken (zoals rond het Vlaams Belang ook een cordon sanitaire is gesmeed, omdat deze partij een welbepaald type van politiek systeem – de Belgische staat – wil uitschakelen). En in dat geval kan deze libertarische partij niet veel anders doen dan mee rond te draaien in de mesthoop die het politieke bestel uitmaakt, en vervalt ook haar rol slechts in die van Popperiaanse piecemael engineer.
III. Systeem versus leefwereld: naar een dialectisch libertarisme
We hebben de naam van Karl R. Popper in dit opstel al enkele keren laten vallen. Het schijnt mij echter dat een andere wetenschapsfilosoof veel interessanter kan zijn om een strategische weg naar de vrijheid uit te tekenen. Deze filosoof is niemand dan Thomas S. Kuhn, die in 1962 veel ophef veroorzaakte met zijn boek The Structure of Scientific Revolutions. Hierin werd het klassieke popperiaans-positivistische wetenschapsfilosofische idee dat wetenschap slechts geleidelijk door middel van verificatie en falsificatie evolueert aangevallen. Kuhn lanceerde hierop echter de idee van het paradigma: een bepaalde groep of school wetenschappers werkt steeds binnen een kader van theoretische vooronderstellingen, premissen en methoden (= geheel van randvoorwaarden ofte paradigma). Doch, het is steeds mogelijk dat er door andere wetenschappers – die binnen een ander paradigma opereren – kritiek wordt geleverd op het heerserende paradigma (binnen een bepaalde wetenschappelijke discipline). Kuhn stelt dan dat beide paradigma’s incommensurabel zijn: er zijn geen objectieve of paradigma-overstijgende maatstaven die kunnen aantonen welke wetenschappelijke theorie de beste is. Tot de ene groep of school wetenschappers hiaten in de theorie van de tegenpartij weet te vinden: vanaf dan wordt het ene paradigma verlaten ten aanzien van de andere.
Als historisch voorbeeld geeft Kuhn de revoluties in de astronomie van de 17de eeuw weer: tot en met Copernicus werd nog gebruik gemaakt van een paradigma, dat bestond uit theoretische vooronderstellingen die door Aristoteles en Ptolemaeus van Alexandrië werden ontwikkeld. Wegens de weinig accurate observatiemogelijkheden in de Oudheid, ontwikkelden Aristoteles en Ptolemaeus een ingewikkeld kosmologisch systeem bestaande uit diverse concentrische cirkels (dit diende voornamelijk om de retrograde beweging van de planeten te kunnen verklaren), en deze set van vooronderstellingen werd steeds maar ingewikkelder naarmate de theorieën zich, binnen hetzelfde paradigma, verder ontwikkelden. Totdat Galilei op de proppen kwam met een nieuwe theorie, gebaseerd op zijn recent ontwikkelde bewegingsleer (die op zich ook een felle verwerping van de Aristotelische fysica inhield!), werd echter het antieke model voorgoed naar de prullenmand verwezen. Vanaf toen heerste een nieuw paradigma, aldus Kuhn.
Wat kunnen we hier nu uit leren? Vooreerst schetst Kuhn een veeleer dialectisch model van de wetenschap. Verre van een obscurantistische, deterministische dialectiek met vooraf gegeven finale doelen te zijn (zoals Hegel en Marx voorstelden), poneert Kuhn een contingente dialectiek waarbij de eindresultaten zeker verre van op voorhand gegeven zijn. Een bepaald paradigma dat momenteel nu overheerst, zal binnen een aantal jaar allicht weer verdwijnen, maar wat dit dan concreet gaat verworden, kan niemand voorspellen.
In de rechtstheorie kan eenzelfde dialectisch model evenzeer worden teweeggebracht. Heden ten dage staan twee paradigma’s lijnrecht tegenover elkaar: enerzijds dat van het rechtspositivisme, dat een geïnstitutionaliseerd systeem vooronderstelt welke zich het alleenrecht voorbehoudt om “het recht” onder de vorm van dikke wetboeken te produceren; en anderzijds het paradigma van het libertarische natuurrecht dat de klemtoon legt op de mens als redelijk wezen dat zich in een vrije (fenomenologische) leefwereld bevindt, en als waarheidszoekend individu ook de onvervreemdbare natuurrechten, middels de rede, weet te vinden. Tussen deze twee paradigma’s zal de intellectuele strijd plaatsvinden, en het is dan ook van het grootste belang dat zij die zich libertariër noemen, zich onvoorwaardelijk achter de ideeën van de leefwereld scharen, en dan ook van hieruit proberen de nieuwe paradigmawending te doen voltrekken.
De leefwereld is een domein dat nog verre van verloren is, hoewel sterk aangetast door de negatieve invloeden van het politiek-geïnstitutionaliseerde systeem. Zij vormt het geheel van alle vrije interacties tussen individuen, dat zich kristaliseert in het ontstaan van verenigingen, onderzoeksinstellingen, scholen (niet-gesubsidieerd), clubs,... Het is hierin dat het vrije woord van het libertarisme met luide stem vertolkt dient te worden door middel van educatie, lezingen, publicaties, ja, zelfs militante betogingen, om zo een nieuwe wind door de ideeënwereld (gelieve deze term niet Platoons op te vatten...) te blazen; want het zijn tenslotte menselijke ideeën, en zij alleen, die een nieuwe paradigmaverschuiving kunnen veroorzaken.
IV. Conclusie: wat te doen op 7 juni
Uit het voorgaande kan dus een tamelijk negatief beeld opgemaakt worden over de mogelijkheid van libertariërs om over te gaan tot politieke actie. Ik pretendeer hier zeker niet een pauselijke encycliek uit te vaardigen die zegt wat u moet doen in het stemhokje. Toch is ook het inkleuren van een bolletje op het stemformulier (of het elektronisch aanvinken ervan) steeds een vorm van collaboratie met de politieke kaste: hoe je het ook bekijkt, een stem op een politieke partij of voor een bepaalde politicus is in feite een impliciete goedkeuring van het paradigma van het rechtspositivistische discours; het paradigma van de uitbuiting.
Voor zij die zich, als trouwe libertariër, toch een beetje verweesd voelen dat zij principieel niet mogen meedoen aan deze electorale wedstrijd bollekes kleuren, kan ik alleen maar de raad geven zich die zondagnamiddag naar een zonnig terrasje ergens tussen de Grote Markt en de Groenplaats in Antwerpen: bollekes genoeg; geserveerd in een halfrond glas met een schuimende kraag. Iets waar geen enkele libertariër, en allerminst ondergetekende, iets op kan tegenhebben.
Noten:
(1) Zie Popper, Karl R., The Open Society and its Enemies: the spell of Plato (vol. I), London: Routledge, 1945, chapter IX
(2) Het is echter spijtig om vast te stellen dat een nochtans briljant libertariër als Murray Rothbard de complete onverzoenbaarheid van libertarisme en politieke actie niet inzag. Zie hiervoor zijn For a New Liberty, New York: McMillan Publishing, 1973, chapter 15. Een mijns inziens correcte inschatting van het politiek-maatschappelijk bestel werd gegeven door Frank van Dun: On The Way to the Voting Booth, september 2006, http://users.ugent.be/~frvandun/Texts/Articles/FVD-Guttman.pdf .
(3) Deze vergelijking verwijst naar een beroemde uitspraak van de Duitse kanselier Otto von Bismarck (1815-1898): “Van twee dingen kun je beter niet weten hoe ze werden gemaakt: worst en wetten.”
(4) Hobbes, Thomas; Leviathan, 1651, chapter XVII
(5) Op zich is een politieke partij natuurlijk ook al een abstractie van de verschillende, hoogst particuliere belangen die het militanten- en kiezerskorps van die partij vormt.
(6) Met uitzondering van de grote fictie over de “universele mensenrechten” , zoals verkondigd door de Verenigde Naties. In werkelijkheid zijn ook dit slechts hersenspinsels van politieke machthebbers, en dient er dus ook steeds dwang uitgeoefend te worden om deze rechten uitgevoerd te worden (bv. de hele resem sociaal-economische rechten die in het U.V.R.M. opgesomd staan). Over de fictie van (positiefrechtelijk bepaalde) universele mensenrechten, zie Van Dun, Frank; De Utopie van de Mensenrechten, april 2003, http://rothbard.be/artikels/74-de-utopie-van-de-mensenrechten
vrijdag 26 december 2008
Londers als kruitontsteker van de federale regering. Of was het toch Montesquieu?
Vorige week viel ons allen de eer te beurt getuige te zijn van de val van het imperium van Keizer Leterminus I, na een reeks heftige invallen door de Ostrogoten van het Hof van Cassatie. De gevolgen die de bombrief van de Eerste Voorzitter Ghislain Londers teweeg hebben gebracht zijn de laatste dagen reeds uitvoerig uitgesmeerd in de vaderlandse pers. Zoals dat steeds het geval gaat in de hedendaagse media wier nieuws steeds gebaseerd is op eendagsvliegen, is het hele voorval over de schending der trias politica ondertussen al een lang vergeten zaak, en is het ondertussen een zaak van nationaal staatsbelang geworden of de kroost van Wilfried Martens nu terug naar Disneyland Parijs mag gaan, en de kerstkalkoen van Miet Smet wel de nodige culinaire onderscheidingen verdient.
Zoals menig lezer ondertussen wel zal weten, heeft de eenmansredactie dezer weblog een viscerale afkeer van de hedendaagse media en haar toegevoegde informatieve waarde die al even onschatbaar is als een diamanten ring die je kunt winnen aan een grabbelton op een Vlaamse pensenkermis. En rabiaat is de haat die ondergetekende redactie koestert ten aanzien van nationale staatsbelangen. Kortom, het zal ons worst wezen of de kinderen van Wilfried Martens spoedig Mickey Mouse en Goofy zullen zien, en de vraag naar de kookkunsten van Miet Smet laat ons al helemaal koud.
Het is echter veel interessanter om Yves Leterme – die vlug de coulissen is ingedoken nadat het doek over zijn regering viel – terug bij de lurven te nemen, en ons de meer fundamentele vraag te stellen naar het wezen van het in de westerse wereld algemeen aanvaarde rechtsprincipe van de scheiding der machten. Omdat het hierbij, zoals algemeen bekend, om drie machten gaat, en een uitvoerige analyse van de verhouding onder hen ons te ver zou leiden, beperken wij ons voornamelijk tot de rol van de rechterlijke macht en zijn verhouding tot de twee andere machten. Het is tenslotte die rechterlijke macht die even in het spotlicht van de actualiteit kwam te staan.
Hoewel de enorme meerwaarde van het principe van de scheiding der machten zeker niet wordt betwist, is het onze stelling dat het failliet hiervan in wezen besloten lag in de filosofische overpeinzingen van Montesquieu, de geestelijke vader van dit rechtsprincipe. De, op het eerste zicht provocerende vraag, is zelfs of er wel enige verandering heeft opgetreden in het periode van het Ancien Régime tot de Franse Revolutie en heden ten dage.
I. De scheiding der machten en de rol van de rechter in het positiefrechtelijk bestel
Voor sommigen mag het misschien nogal wat abstract en tautologisch klinken; maar een zogenaamd rechtsprincipe van een 'scheiding der machten' brengt in eerste instantie met zich mee dat er ook effectief drie machten zijn, meerbepaald een wetgevende; een uitvoerende en een rechterlijke macht. Doorheen de geschiedenis tot de dag van vandaag wordt, in feite ten onrechte, aangenomen dat de rechterlijke macht niets meer en niets minder is dan “de mond van de wet”; een faliekante vooronderstelling die ook Montesquieu heeft gemaakt. Wanneer een bepaald iemand een juridisch geschil heeft met iemand anders, dient de rechter in principe de zaak te behandelen conform de wetsartikelen en procedures zoals die in dikke wetboeken staan beschreven. In dit eenvoudige voorbeeld gaat het om een privaatrechtelijk geschil, en zijn het dus in eerste instantie de artikelen die vermeld staan in het Burgerlijk Wetboek die van belang zullen zijn.
Laat ons hier echter eens nader bij stilstaan. Stel dat Yves een geschil heeft met Wilfried over een contract. In principe geeft titel III van het Burgerlijk Wetboek een quasi exhaustieve opsomming van wat in welk concreet geval moet gebeuren. Maar zo'n Burgerlijk Wetboek is natuurlijk niet iets zoals de Decaloog van Mozes die uit de hemel komt nedergedaald; maar een louter menselijk product (de facto kan dit van de Tien Geboden uiteraard ook gezegd worden, maar dit terzijde). Concreet betekent dit dat een wetgever het recht codificeert in wetten, waarna het door de rechter strikt opgevolgd dient te worden bij zijn besluitvorming in juridische geschillen. Nu is echter de hele vraag: hoe serieus moet die scheiding tussen wetgevende en rechterlijke macht nog genomen worden, indien de rechter toch niets meer is dan diens papegaai? Hij dient immers strikt de wet na te leven en zijn eigen oordeelsvermogen uit te schakelen. Stel dat een bepaald artikel in het Burgerlijk Wetboek echter zou voorschrijven, hoe utopisch dit ook moge klinken, dat bij het niet naleven van een verbintenis het de persoon die schade ondervindt is die een schadevergoeding dient te betalen. Hoe totaal waanzinnig en absurd dit ook moge klinken; volgens een rigoureuze interpretatie van Montesquieu dient de rechter de beklaagde partij een schadevergoeding toe te kennen. In privaatrechtelijke aangelegenheden zijn zulke waanzinnige situaties natuurlijk louter een malafide hersenspinsel van de auteur dezes (laat ons hopen...), maar in zaken van meer publiekrechtelijke aard is een al te felle uitholling van de discretionaire bevoegdheid van de rechter een regelrecht gevaar. We komen hier straks nog iets uitvoeriger op terug.
Het omgekeerde geldt trouwens evenzeer. Stel dat de rechter over de ongelimiteerde capaciteit zou beschikken naar eigen goeddunken vonnissen en arresten te vellen, zonder zich ook maar één moer aan te trekken wat de wet nu precies voorschrijft. Stel dat Yves op een zonnige dag een barbecue houdt in zijn tuin. Terwijl de kippenboutjes goudbruin liggen de roosteren, gaat Yves even naar binnen en de aandacht is afgeleid van de barbecuegrill. Een steekvlam schiet plotsklaps uit het toestel, en in enkele luttele seconden staat het tuinhuisje van zijn buurman Wilfried in lichterlaaie. Blijkbaar leven de twee heren echter al ettelijke maanden op gespannen voet met elkaar, en een schikking in der minne blijkt uitgesloten. Dan maar voor de rechter ermee. Wilfried en Yves verschijnen na enkele dagen voor de rechtbank, en de rechter beslist dat Wilfried zowaar een schadevergoeding dient te betalen, omdat hij bij de poging zijn tuinhuisje te blussen de barbecue van Yves om zeep heeft geholpen. Dit dus allemaal in tegenstelling met artikel 1382 B.W. , dat glashelder stelt dat wie iemand schade berokkent, dit ook dient te vergoeden. Ook in hoger beroep wordt dit vonnis bevestigd. In deze casus heeft de rechter dus de wet niet nageleefd, maar wel geoordeeld naar eigen eer en geweten. Kan in dit geval gesproken worden van rechtvaardigheid? Neen.
Zowel casus 1 (de rechter is slechts la bouche de la loi) als casus 2 (de rechter beslist naar eigen believen) vinden hun grond in één en dezelfde schromelijke misvatting van het recht, die op onfortuinlijke manier de rechtsgang echter al eeuwen in zijn greep houdt: het rechtspositivisme. Afgeleid van het Latijnse werkwoord ponere (plaatsen, zetten, neerleggen,...), betekent dit dat het recht slechts datgene is wat geplaatst is, of beter gezegd, geschreven in wetboeken. Het gaat hierbij dus om geschreven, gecodificeerd recht; wat betekent dat het recht dat in die wetteksten staat 1) geschreven is door één of meerdere wetgevers (de vorst, de president, de dictator, het parlement, ...) , 2) over het algemeen van toepassing is op alle inwoners van een bepaald grondgebied (i.e. het gelijkheidsbeginsel; hoewel dit niet steeds noodzakelijk het geval is. Denk maar aan de beruchte Rassenwetten van Nürenberg uit 1935, die specifiek de joodse bevolking troffen) en 3) steeds gewijzigd kan worden.
Het is voornamelijk dat derde punt dat hier van belang is, en onze stelling kracht kan bijzetten dat een rechtspositivistische opvatting van het recht onverenigbaar is met de notie van de scheiding der machten. Afgaande van de eerste interpretatie van de rol van de rechterlijke macht – namelijk dat deze slechts bouche de la loi is – betekent dit dat wanneer de wetgever in het jaar 1995 x voorschrijft voor een bepaalde zaak, dan dient de rechter in dat geval ook x uit te spreken. Maar wanneer in 2008 x vervangen wordt door y , dient de rechter zich hier eveneens naar te schikken. Waarin ligt dan nog die onafhankelijkheid?
Maar ook ons tweede voorbeeld is sterk rechtspositivistisch van aard. Indien de rechter een vonnis of arrest kan uitspreken zonder rekening te houden met wat de wet voorschrijft, is de rechter zelf wetgever geworden en kan omwille van logische redenen niet meer aanvaard worden dat er nog een scheiding der machten zou bestaan.
II. De band tussen heerser en rechter: het openbaar ministerie als duivelskind en de invloed van het publiekrecht.
Het grote probleem is dus de verstrengeling die bestaat tussen wetgevende en rechterlijke macht, en dat in feite in een rechtspositivistisch kader steeds onopgelost zal blijven. Een voorbeeld waar al eerder beknopt naar is verwezen, is het sterke publiekrechtelijke karakter van de hedendaagse wetgeving, alsook datzelfde 'publieke' karakter van de rechterlijke macht. Dit wordt nog het best geïllustreerd door het bestaan van de openbare ministeries of 'parketten' die aan de verschillende hoven en rechtbanken verbonden zijn. In feite is het openbaar ministerie dé link bij uitstek tussen de rechterlijke en wetgevende macht. Historisch gezien is dit een instelling die zijn oorsprong vindt in de oprichting van de zogenaamde curia regis in de vroege Middeleeuwen (1). De curia was in feite het 'koninklijk hof' waarin de vazallen van de koning de vorst met raad en daad bijstonden. Wegens een grotere noodzaak aan meer 'specialisatie' en een verder doorgaande 'juridisering' van het recht – we schrijven rond de 13de eeuw; eveneens de eeuw dat in Europa de eerste rechtsfaculteiten ontstonden, in het bijzonder te Bologna – zag de vorst zich ook genoodzaakt de curia verder in te delen in meer gespecialiseerde organen. Uit de curia ontstonden zo de Koninklijke Raad die de vorst bijstond in politieke zaken; het Rekenhof voor financiële aangelegenheden en de parlementen die echter niets van doen hebben met onze huidige volksvertegenwoordiging, maar wel instonden voor rechtspraak, voornamelijk voor geschillen onder edellieden. Het eerste parlement dat werd opgericht, was dat van Parijs in 1278. Ook zo'n parlement werd nog eens verder onderverdeeld in verschillende 'kamers' (net zoals vandaag ook de rechterlijke macht verder is onderverdeeld in rechtbanken van koophandel, strafzaken, burgerlijke rechtbanken,...) , en jawel, één van die kamers was het zogenaamde “parket”. Dit parket(2) bestond uit een procureur (merk de etymologische verwantschap met curia!) en 50 substituten, en werd in eerste instantie belast met de taak de belangen van de vorst te verdedigen. Wat vandaag wordt omschreven als het 'algemeen belang' van de 'maatschappij' dat behartigd dient te worden, was in feite niets anders dan het koninklijk belang. Misdaad die het 'publieke belang' zou kunnen schaden, betekende dus in eerste instantie misdaad gepleegd ten aanzien van de koninklijke domeinen, i.e. zijn land (3). Dit werd gevat in het aforisme interest rei publicae ne maleficia remaneant impunito (“het is van publiek belang dat misdaden niet onbestraft blijven”). Kortom, de link tussen de vorst en de rechtspraak bleef via het parket zeer strak behouden. En dus is het nog maar de vraag of het vandaag de dag veel anders is. Er is wel een scheiding gekomen tussen de wetgevende en uitvoerende macht, maar via het openbaar ministerie blijft de band tussen de wetgever en de rechter nog steeds bestaan.
Ook dit is andermaal een aberrant gevolg van de overheersing van het rechtspositivistisch paradigma. Zij definieert zoiets als een 'algemeen belang' waarover gewaakt dient te worden, terwijl het – conform de principes van het methodologisch individualisme – gewoonweg onmogelijk is zo'n 'algemeen belang' ook maar enigszins te kunnen vatten. Neem nu een moord die gepleegd wordt. Waarom dient een openbaar ministerie namens de “publieke orde” op te treden om de dader te vatten en te berechten? Wanneer we er even bij stilstaan, is het eigenlijk ronduit potsierlijk te moeten stellen dat de moordenaar berecht dient te worden omdat er zoiets als een 'publiek belang' is geschonden. Het gaat hier wel degelijk om een individu – één persoon, en dus geen publiek goed... - wiens leven beroofd werd. Het is dus aan de nabestaanden om klacht tegen de dader neer te leggen. We komen hier in een afsluitend hoofdstuk nog even op terug.
Het is dan ook ronduit verdacht te noemen dat zoiets als een openbaar ministerie op eigen houtje verdachten kan vervolgen. En van welk misdrijf worden deze personen of organisaties dan zoal ‘verdacht’? Wel, dat is natuurlijk een nogal moeilijk probleem, gezien er doorgaans geen enkele derde burgerlijke partij is gesteld. Met andere woorden: op een procureur of substituut met wel erg lange tenen na, is er blijkbaar niemand die hinder ondervindt van de gedraging van een welbepaalde beklaagde. De façade van het “algemeen belang der maatschappij” dat geschonden zou worden, heeft echter de schijn van een Potemkindorp: de vrijwaring van het ‘algemeen belang’ behelst immers allang niet meer het vervolgen van moorden en aanslagen, maar vooral een schrikbewind aanjagen om de bevolking in de strikte pas van de ‘positieve wet’ te doen lopen. Het openbaar ministerie is dus in wezen niets meer of minder dan een instrument van de staat om haar eigen wil aan de bevolking te kunnen opleggen. Dit is natuurlijk een gevolg van de almaar verder vervagende scheidingslijn tussen privaatrecht en publiekrecht, voornamelijk in voordeel van laatstgenoemde. Daar waar het privaatrecht de betrekkingen tussen mensen onderling regelt (horizontale verhouding) en een klacht ook pas kan komen nadat een bepaalde persoon een (vermeend) nadeel heeft opgelopen (4) ; regelt het publiekrecht de verhoudingen tussen de staat en haar onderdanen (verticale verhouding). In het juridische jargon wordt dit dan ook de nomocratische versus de teleologische functie van het recht genoemd. De term ‘nomocratie’ kan, wanneer we dit letterlijk ontleden in de Oudgriekse componenten waaruit het woord is opgebouwd, het best vertaald worden als ‘heerschappij van de wet’ . Hoewel met ‘wet’ in deze context uiteraard een positieve wet wordt bedoeld, dient de wet in dit geval geïnterpreteerd te worden als regel voor horizontale verhouding tussen mensen onderling. Het typevoorbeeld van zulk een nomocratie zou bijvoorbeeld een minarchistische ‘nachtwakersstaat’ zijn, waarin slechts bij (positieve) wet wordt bepaald welke gedragingen wel of niet aanvaard worden, en hoe dit te berechten. Doorgaans zijn dit dan ook de klassiek-liberale rechten van vrijheid, leven en eigendom die hierin worden vervat.(5) Maar meer illuster zijn natuurlijk de zaken die een meer teleologische of ‘doelgerichte’ functie op het oog hebben, en dus de samenleving meer naar een welbepaalde richting willen ‘sturen’. Dat onze hedendaagse maatschappij zeer sterk doordrongen is van die teleologische gedachte, hoeft nauwelijks enige verduidelijking. Het is de staat die kinderen van jongs af aan wil omkneden tot goede “burgers”, een begrip dat natuurlijk om de zoveel decennia een totaal nieuwe inhoud krijgt. In de jaren 1930 in Nazi-Duitsland werden twaalfjarige knapen geacht goed overweg te kunnen met een mitrailleur; hun leeftijdsgenoten van zo’n kleine zeventig jaar later moeten dan weer in staat zijn op ludieke manier geld in te zamelen voor 11-11-11. Eenmaal volwassen worden ze dan verplicht hun “burgerplichten” op zich te nemen, wat impliceert dat men tot de helft van zijn eerlijk verdiend inkomen onder dwang afstaat aan de overheid, die er op zijn beurt de meest prestigieuze infrastructuurwerken, sociale zekerheidssystemen, milieumaatregelen,… mee uitdoktert tot meerdere eer en glorie van “de maatschappij”. Dit alles wordt haarfijn en tot in het meest minutieuze detail uitgewerkt in wetten, decreten, ordonnanties, besluiten, richtlijnen, richtsnoeren, verdragen, handvesten en charters.
Nu, zo’n teleologische ordening van de maatschappij vereist natuurlijk ook een sterke hand bij de rechterlijke macht om deze ordening ook effectief op te leggen. Het is juist wegens de versterking van die teleologie-gedachte, dat de rol van het openbaar ministerie – dat zeker niet het enige machtsmiddel is van de staat om zijn wil op te kunnen leggen – zo sterk is. Een frappant voorbeeld zijn bijvoorbeeld de ‘vervolgingen’ die het openbaar ministerie instelt tegen personen of organisaties (bv. bedrijven) wegens inbreuken op de antiracismewetgeving. Zonder dat ook maar één persoon hinder ondervindt van wat iemand schrijft in een krant of – wat vaker gebeurt – op een website, schakelt het openbaar ministerie niettemin haar bloedhonden in. Inzake antiracisme wordt het ‘officiële’ openbare ministerie dan ook nog eens bijgestaan door andere gouvernementele organisaties die met eenzelfde takenpakket belast zijn, zoals het CGKR.
Maar of de positiefrechtelijke rechtsorde nu nomocratisch danwel teleologisch van aard is, is een zaak die er weinig toe doet. In beide gevallen dient de rechter zich steeds te schikken naar een veranderlijke, positieve wet; met doorgaans weinig discretionaire manoeuvreerruimte (hoewel dit in de nomocratische ordening meestal wel makkelijker is).
III. Naar een oplossing van de crisis der trias politica: het natuurrecht als remedie
Waar willen we dan wél naartoe? We hebben proberen aan te tonen dat een rechtspositivistische benadering van het recht de onafhankelijkheid van de rechter steeds in het gedrang zal brengen. Toch kan de rechter geen louter arbitraire uitspraken maken, anders zou er geen sprake zijn van recht, maar juist van zaken die krom zijn. En staat de rechter nu net niet ten dienste van het recht? Maar dan moet hij zich weer strikt baseren op de positieve wet, die steeds voor verandering vatbaar is, en ook grove vormen van wat gepercipieerd kan worden als onrecht bevat. (6) Om aan deze cirkelredenering, die zo inherent is aan het rechtspositivisme, te ontkomen; dienen we dan ook een radicaal andere concept van wat ‘recht’ zou kunnen zijn te hanteren. Dat radicaal andere concept is het natuurrecht. Het is slechts binnen deze natuurrechtelijke constellatie dat de rechter zijn beroep naar behoren kan uitoefenen: recht spreken wat krom is.
Zonder dieper in te gaan op de bewijsvoering van de geldigheid van het natuurrecht (dat overigens eveneens een zeer diffuus karakter heeft), kan gesteld worden dat het natuurrecht als rechtsnorm slechts één principe vooropstelt, namelijk dat ieder recht heeft op zijn persoon en extrasomatische middelen (eigendom). We bespreken hierbij de rol van de rechter in zulk een natuurrechtelijke constellatie.
Wat het natuurrecht zo verschillend maakt als rechtsnorm, is net haar onveranderlijke karakter. Bovendien is het karakter van het natuurrecht eveneens nomocratisch van aard, in die zin dat zij de horizontale verhoudingen tussen mensen onderling ordent, met dien verstande dat de nomos hierbij niet gezocht dient te worden in de positieve wet, maar in de menselijke rede. Dit heeft voor de rechtspraak echter een verregaand effect. De rechter dient het recht niet langer op te sporen in de positieve wet, en staat in die zin onafhankelijk van deze. Fenomenologisch gezien staat hij echter ‘middenin’ het recht, en dienen zijn vonnissen juist in overeenstemming te worden gebracht met wat het natuurrecht voorschrijft.
Hierbij komen we tot een tweede punt in verband met de rechtspraak in een natuurrechtelijke samenlevingsorde; en trouwens ook verdedigd werd door Montesquieu, die nochtans zelf geen natuurrechtaanhanger was. Deze betreft namelijk het aanduiden van de rechter door de betrokken partijen zelf. In de huidige constellatie die gedomineerd wordt door de gedachte dat de overheid over een monopolie beschikt op de rechtspraak, wordt steeds een rechter voorgedragen door één en dezelfde leverancier, namelijk de overheid. Het kan dan wel mogelijk zijn dat de rechter gewraakt wordt; maar dit dient zeker niet opgevat worden als een volwaardig alternatief op het in onderlinge overeenkomst van de betrokken partijen aanstellen van een rechter (ook voor Montesquieu was de mogelijkheid tot wraking slechts een minimum minimorum). In een natuurrechtelijke samenlevingsorde zijn dergelijke vormen van monopolie echter afwezig: de rol van de rechter wordt hierin die van verzoener, wat in eerste instantie vooronderstelt dat de persoon in kwestie het volste vertrouwen geniet van beide partijen. Deze rechter beschikt dan ook over een ruime mate van discretionaire bevoegdheid, maar dient zijn uitspraken wel steeds in overeenstemming te brengen met enkele – zij het echter zeer beperkte doch evidente – natuurrechtelijke principes. Indien hij een vonnis zou vellen waarin één van beide partijen zich niet zou kunnen vinden, dan is er de mogelijkheid de hele procedure opnieuw te starten onder toeziend oog van een nieuwe rechter.
IV. Slotsom
We komen hierbij dan ook tot de conclusie dat enkel onder de vorm van het natuurrecht een deugdelijke ‘scheiding der machten’ tot stand kan komen. In zekere zin is het natuurlijk zo dat in een natuurrechtelijke samenlevingsorde in feite nog maar één macht overblijft, namelijk de rechterlijke. De wetgevende macht in de zin van één of meerdere personen die wetten uitvaardigen is wegens de suprematie van het natuurrecht overbodig geworden, en de uitvoerende macht is in wezen een instrument dat hoofdzakelijk bij teleologische of monarchistische regimes hoort. Het is enkel op deze manier dat de rechterlijke macht, onafhankelijk doch in overeenstemming met de principes van het (natuur)recht, kan functioneren.
Eindnoten:
(1) In dit voorbeeld bespreken we enkel de evolutie zoals die heeft plaatsgevonden in continentaal Europa, meerbepaald Frankrijk. De curia bestond in Engeland eveneens, maar heeft een ietwat andere historische ontwikkeling meegemaakt.
(2) Er is overigens wel degelijk een verband tussen de beide betekenissen van het woord 'parket', dat een homoniem is. Iedereen kent allicht het 'parket' ook van de reclamespots van de speciaal voor parket en houten vloeren bestemde schoonmaakmiddelen van Mr. Proper. Het is juist dit parket – een houten vloer – waaraan het hedendaagse openbaar ministerie haar naam aan ontleent. Het stamt nog uit de tijd dat de procureur en zijn magistraten op een verhoogd houten platform ging staan – vandaar 'staande' magistratuur – om, in naam van het algemeen (lees: des konings) belang, zich te kunnen onderscheiden van andere aanwezigen in de zaal.
(3) Dit brengt ons natuurlijk terug bij de vermetelde libertarische discussie over het belang van een monarch als alleenheerser, omdat deze zijn land steeds dient te beschouwen als vorm van private eigendom die bewaard moet worden voor het nageslacht. Zie hiervoor de uitvoerige en saillante beschrijvingen gemaakt door Hans-Hermann Hoppe in diens Democracy: The God That Failed (New Brunswick: Transaction Publishers, 2006)
(4) We hebben hogerop echter ook reeds onze bedenkingen geuit bij een al te ‘positivistische’ conceptie van het privaatrecht, cf. de fictieve casus van Yves, Wilfried en de barbecue.
(5) Men kan de vigerende wetten die in een minarchistische maatschappij gelden dan ook best omschrijven als ‘gecodificeerd natuurrecht’. Maar de bedoeling van dit essay is juist om de stelling naar voren te brengen dat alle vormen van gecodificeerd recht, of ze nu nomocratisch danwel teleologisch van aard zijn, in principe niet verenigbaar zijn met het principe van de scheiding der machten. We komen hier later op terug.
(6) Een tamelijk bekende casus uit de Duitse rechtsgeschiedenis, is de zaak van Dr. V. In 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en de geallieerden reeds fors terrein wonnen in Europa, kampte het Duitse leger met een plaag van massale desertie. Soldaten liepen in grote getale weg, omdat ze toch al lang doorhadden dat voor Duitsland de strijd verloren was. De nazi-regering vaardigde dan ook in allerijl het zogenaamde Katastrophenbefehl uit: iedere burger die over een (vuur)wapen beschikte, had de plicht een deserteur om het leven te brengen wegens hoogverraad. En dit zonder proces. Eén van die Duitse burgers, de zogenaamde Dr. V., hield zich “plichtsbewust” aan de door de nazi’s uitgevaardigde wet, en schoot een jongeman neer die net uit het leger deserteerde. Na de oorlog werd door de moeder van de jongen een proces aangespannen tegen Dr. V., omdat hij haar zoon had gedood. Dr. V. verdedigde zich voor de rechtbank met het argument dat hij louter handelde in overeenstemming met het heersende ‘recht’ van die tijd. De rechter gaf hem echter ongelijk: Dr. V. handelde in strijd met de onveranderlijke, tijdloze rechtsprincipes waarop ieder mens zich kan beroepen, en die hem op zijn minst de eerbied van de persoonlijke integriteit waarborgen: het natuurrecht. Bovendien had Dr. V. er geen enkele baat bij de jongen neer te schieten: mocht hij bij het zien van de desertie een oogje hebben dichtgeknepen, zou de SS of andere politionele eenheid van de nazi’s hem ongetwijfeld ongemoeid hebben gelaten: wat niet weet, niet deert. Deze casus vormt alleszins een uitzondering op de ‘cirkelparadox’ waarin de rechter steeds gevangen zit wanneer hij zich (uitsluitend) op de positieve wet moet beroepen. We hebben het woord ‘natuurrecht’ nu al laten vallen; leest u dus maar gauw verder in de hoofdtekst.
Zoals menig lezer ondertussen wel zal weten, heeft de eenmansredactie dezer weblog een viscerale afkeer van de hedendaagse media en haar toegevoegde informatieve waarde die al even onschatbaar is als een diamanten ring die je kunt winnen aan een grabbelton op een Vlaamse pensenkermis. En rabiaat is de haat die ondergetekende redactie koestert ten aanzien van nationale staatsbelangen. Kortom, het zal ons worst wezen of de kinderen van Wilfried Martens spoedig Mickey Mouse en Goofy zullen zien, en de vraag naar de kookkunsten van Miet Smet laat ons al helemaal koud.
Het is echter veel interessanter om Yves Leterme – die vlug de coulissen is ingedoken nadat het doek over zijn regering viel – terug bij de lurven te nemen, en ons de meer fundamentele vraag te stellen naar het wezen van het in de westerse wereld algemeen aanvaarde rechtsprincipe van de scheiding der machten. Omdat het hierbij, zoals algemeen bekend, om drie machten gaat, en een uitvoerige analyse van de verhouding onder hen ons te ver zou leiden, beperken wij ons voornamelijk tot de rol van de rechterlijke macht en zijn verhouding tot de twee andere machten. Het is tenslotte die rechterlijke macht die even in het spotlicht van de actualiteit kwam te staan.
Hoewel de enorme meerwaarde van het principe van de scheiding der machten zeker niet wordt betwist, is het onze stelling dat het failliet hiervan in wezen besloten lag in de filosofische overpeinzingen van Montesquieu, de geestelijke vader van dit rechtsprincipe. De, op het eerste zicht provocerende vraag, is zelfs of er wel enige verandering heeft opgetreden in het periode van het Ancien Régime tot de Franse Revolutie en heden ten dage.
I. De scheiding der machten en de rol van de rechter in het positiefrechtelijk bestel
Voor sommigen mag het misschien nogal wat abstract en tautologisch klinken; maar een zogenaamd rechtsprincipe van een 'scheiding der machten' brengt in eerste instantie met zich mee dat er ook effectief drie machten zijn, meerbepaald een wetgevende; een uitvoerende en een rechterlijke macht. Doorheen de geschiedenis tot de dag van vandaag wordt, in feite ten onrechte, aangenomen dat de rechterlijke macht niets meer en niets minder is dan “de mond van de wet”; een faliekante vooronderstelling die ook Montesquieu heeft gemaakt. Wanneer een bepaald iemand een juridisch geschil heeft met iemand anders, dient de rechter in principe de zaak te behandelen conform de wetsartikelen en procedures zoals die in dikke wetboeken staan beschreven. In dit eenvoudige voorbeeld gaat het om een privaatrechtelijk geschil, en zijn het dus in eerste instantie de artikelen die vermeld staan in het Burgerlijk Wetboek die van belang zullen zijn.
Laat ons hier echter eens nader bij stilstaan. Stel dat Yves een geschil heeft met Wilfried over een contract. In principe geeft titel III van het Burgerlijk Wetboek een quasi exhaustieve opsomming van wat in welk concreet geval moet gebeuren. Maar zo'n Burgerlijk Wetboek is natuurlijk niet iets zoals de Decaloog van Mozes die uit de hemel komt nedergedaald; maar een louter menselijk product (de facto kan dit van de Tien Geboden uiteraard ook gezegd worden, maar dit terzijde). Concreet betekent dit dat een wetgever het recht codificeert in wetten, waarna het door de rechter strikt opgevolgd dient te worden bij zijn besluitvorming in juridische geschillen. Nu is echter de hele vraag: hoe serieus moet die scheiding tussen wetgevende en rechterlijke macht nog genomen worden, indien de rechter toch niets meer is dan diens papegaai? Hij dient immers strikt de wet na te leven en zijn eigen oordeelsvermogen uit te schakelen. Stel dat een bepaald artikel in het Burgerlijk Wetboek echter zou voorschrijven, hoe utopisch dit ook moge klinken, dat bij het niet naleven van een verbintenis het de persoon die schade ondervindt is die een schadevergoeding dient te betalen. Hoe totaal waanzinnig en absurd dit ook moge klinken; volgens een rigoureuze interpretatie van Montesquieu dient de rechter de beklaagde partij een schadevergoeding toe te kennen. In privaatrechtelijke aangelegenheden zijn zulke waanzinnige situaties natuurlijk louter een malafide hersenspinsel van de auteur dezes (laat ons hopen...), maar in zaken van meer publiekrechtelijke aard is een al te felle uitholling van de discretionaire bevoegdheid van de rechter een regelrecht gevaar. We komen hier straks nog iets uitvoeriger op terug.
Het omgekeerde geldt trouwens evenzeer. Stel dat de rechter over de ongelimiteerde capaciteit zou beschikken naar eigen goeddunken vonnissen en arresten te vellen, zonder zich ook maar één moer aan te trekken wat de wet nu precies voorschrijft. Stel dat Yves op een zonnige dag een barbecue houdt in zijn tuin. Terwijl de kippenboutjes goudbruin liggen de roosteren, gaat Yves even naar binnen en de aandacht is afgeleid van de barbecuegrill. Een steekvlam schiet plotsklaps uit het toestel, en in enkele luttele seconden staat het tuinhuisje van zijn buurman Wilfried in lichterlaaie. Blijkbaar leven de twee heren echter al ettelijke maanden op gespannen voet met elkaar, en een schikking in der minne blijkt uitgesloten. Dan maar voor de rechter ermee. Wilfried en Yves verschijnen na enkele dagen voor de rechtbank, en de rechter beslist dat Wilfried zowaar een schadevergoeding dient te betalen, omdat hij bij de poging zijn tuinhuisje te blussen de barbecue van Yves om zeep heeft geholpen. Dit dus allemaal in tegenstelling met artikel 1382 B.W. , dat glashelder stelt dat wie iemand schade berokkent, dit ook dient te vergoeden. Ook in hoger beroep wordt dit vonnis bevestigd. In deze casus heeft de rechter dus de wet niet nageleefd, maar wel geoordeeld naar eigen eer en geweten. Kan in dit geval gesproken worden van rechtvaardigheid? Neen.
Zowel casus 1 (de rechter is slechts la bouche de la loi) als casus 2 (de rechter beslist naar eigen believen) vinden hun grond in één en dezelfde schromelijke misvatting van het recht, die op onfortuinlijke manier de rechtsgang echter al eeuwen in zijn greep houdt: het rechtspositivisme. Afgeleid van het Latijnse werkwoord ponere (plaatsen, zetten, neerleggen,...), betekent dit dat het recht slechts datgene is wat geplaatst is, of beter gezegd, geschreven in wetboeken. Het gaat hierbij dus om geschreven, gecodificeerd recht; wat betekent dat het recht dat in die wetteksten staat 1) geschreven is door één of meerdere wetgevers (de vorst, de president, de dictator, het parlement, ...) , 2) over het algemeen van toepassing is op alle inwoners van een bepaald grondgebied (i.e. het gelijkheidsbeginsel; hoewel dit niet steeds noodzakelijk het geval is. Denk maar aan de beruchte Rassenwetten van Nürenberg uit 1935, die specifiek de joodse bevolking troffen) en 3) steeds gewijzigd kan worden.
Het is voornamelijk dat derde punt dat hier van belang is, en onze stelling kracht kan bijzetten dat een rechtspositivistische opvatting van het recht onverenigbaar is met de notie van de scheiding der machten. Afgaande van de eerste interpretatie van de rol van de rechterlijke macht – namelijk dat deze slechts bouche de la loi is – betekent dit dat wanneer de wetgever in het jaar 1995 x voorschrijft voor een bepaalde zaak, dan dient de rechter in dat geval ook x uit te spreken. Maar wanneer in 2008 x vervangen wordt door y , dient de rechter zich hier eveneens naar te schikken. Waarin ligt dan nog die onafhankelijkheid?
Maar ook ons tweede voorbeeld is sterk rechtspositivistisch van aard. Indien de rechter een vonnis of arrest kan uitspreken zonder rekening te houden met wat de wet voorschrijft, is de rechter zelf wetgever geworden en kan omwille van logische redenen niet meer aanvaard worden dat er nog een scheiding der machten zou bestaan.
II. De band tussen heerser en rechter: het openbaar ministerie als duivelskind en de invloed van het publiekrecht.
Het grote probleem is dus de verstrengeling die bestaat tussen wetgevende en rechterlijke macht, en dat in feite in een rechtspositivistisch kader steeds onopgelost zal blijven. Een voorbeeld waar al eerder beknopt naar is verwezen, is het sterke publiekrechtelijke karakter van de hedendaagse wetgeving, alsook datzelfde 'publieke' karakter van de rechterlijke macht. Dit wordt nog het best geïllustreerd door het bestaan van de openbare ministeries of 'parketten' die aan de verschillende hoven en rechtbanken verbonden zijn. In feite is het openbaar ministerie dé link bij uitstek tussen de rechterlijke en wetgevende macht. Historisch gezien is dit een instelling die zijn oorsprong vindt in de oprichting van de zogenaamde curia regis in de vroege Middeleeuwen (1). De curia was in feite het 'koninklijk hof' waarin de vazallen van de koning de vorst met raad en daad bijstonden. Wegens een grotere noodzaak aan meer 'specialisatie' en een verder doorgaande 'juridisering' van het recht – we schrijven rond de 13de eeuw; eveneens de eeuw dat in Europa de eerste rechtsfaculteiten ontstonden, in het bijzonder te Bologna – zag de vorst zich ook genoodzaakt de curia verder in te delen in meer gespecialiseerde organen. Uit de curia ontstonden zo de Koninklijke Raad die de vorst bijstond in politieke zaken; het Rekenhof voor financiële aangelegenheden en de parlementen die echter niets van doen hebben met onze huidige volksvertegenwoordiging, maar wel instonden voor rechtspraak, voornamelijk voor geschillen onder edellieden. Het eerste parlement dat werd opgericht, was dat van Parijs in 1278. Ook zo'n parlement werd nog eens verder onderverdeeld in verschillende 'kamers' (net zoals vandaag ook de rechterlijke macht verder is onderverdeeld in rechtbanken van koophandel, strafzaken, burgerlijke rechtbanken,...) , en jawel, één van die kamers was het zogenaamde “parket”. Dit parket(2) bestond uit een procureur (merk de etymologische verwantschap met curia!) en 50 substituten, en werd in eerste instantie belast met de taak de belangen van de vorst te verdedigen. Wat vandaag wordt omschreven als het 'algemeen belang' van de 'maatschappij' dat behartigd dient te worden, was in feite niets anders dan het koninklijk belang. Misdaad die het 'publieke belang' zou kunnen schaden, betekende dus in eerste instantie misdaad gepleegd ten aanzien van de koninklijke domeinen, i.e. zijn land (3). Dit werd gevat in het aforisme interest rei publicae ne maleficia remaneant impunito (“het is van publiek belang dat misdaden niet onbestraft blijven”). Kortom, de link tussen de vorst en de rechtspraak bleef via het parket zeer strak behouden. En dus is het nog maar de vraag of het vandaag de dag veel anders is. Er is wel een scheiding gekomen tussen de wetgevende en uitvoerende macht, maar via het openbaar ministerie blijft de band tussen de wetgever en de rechter nog steeds bestaan.
Ook dit is andermaal een aberrant gevolg van de overheersing van het rechtspositivistisch paradigma. Zij definieert zoiets als een 'algemeen belang' waarover gewaakt dient te worden, terwijl het – conform de principes van het methodologisch individualisme – gewoonweg onmogelijk is zo'n 'algemeen belang' ook maar enigszins te kunnen vatten. Neem nu een moord die gepleegd wordt. Waarom dient een openbaar ministerie namens de “publieke orde” op te treden om de dader te vatten en te berechten? Wanneer we er even bij stilstaan, is het eigenlijk ronduit potsierlijk te moeten stellen dat de moordenaar berecht dient te worden omdat er zoiets als een 'publiek belang' is geschonden. Het gaat hier wel degelijk om een individu – één persoon, en dus geen publiek goed... - wiens leven beroofd werd. Het is dus aan de nabestaanden om klacht tegen de dader neer te leggen. We komen hier in een afsluitend hoofdstuk nog even op terug.
Het is dan ook ronduit verdacht te noemen dat zoiets als een openbaar ministerie op eigen houtje verdachten kan vervolgen. En van welk misdrijf worden deze personen of organisaties dan zoal ‘verdacht’? Wel, dat is natuurlijk een nogal moeilijk probleem, gezien er doorgaans geen enkele derde burgerlijke partij is gesteld. Met andere woorden: op een procureur of substituut met wel erg lange tenen na, is er blijkbaar niemand die hinder ondervindt van de gedraging van een welbepaalde beklaagde. De façade van het “algemeen belang der maatschappij” dat geschonden zou worden, heeft echter de schijn van een Potemkindorp: de vrijwaring van het ‘algemeen belang’ behelst immers allang niet meer het vervolgen van moorden en aanslagen, maar vooral een schrikbewind aanjagen om de bevolking in de strikte pas van de ‘positieve wet’ te doen lopen. Het openbaar ministerie is dus in wezen niets meer of minder dan een instrument van de staat om haar eigen wil aan de bevolking te kunnen opleggen. Dit is natuurlijk een gevolg van de almaar verder vervagende scheidingslijn tussen privaatrecht en publiekrecht, voornamelijk in voordeel van laatstgenoemde. Daar waar het privaatrecht de betrekkingen tussen mensen onderling regelt (horizontale verhouding) en een klacht ook pas kan komen nadat een bepaalde persoon een (vermeend) nadeel heeft opgelopen (4) ; regelt het publiekrecht de verhoudingen tussen de staat en haar onderdanen (verticale verhouding). In het juridische jargon wordt dit dan ook de nomocratische versus de teleologische functie van het recht genoemd. De term ‘nomocratie’ kan, wanneer we dit letterlijk ontleden in de Oudgriekse componenten waaruit het woord is opgebouwd, het best vertaald worden als ‘heerschappij van de wet’ . Hoewel met ‘wet’ in deze context uiteraard een positieve wet wordt bedoeld, dient de wet in dit geval geïnterpreteerd te worden als regel voor horizontale verhouding tussen mensen onderling. Het typevoorbeeld van zulk een nomocratie zou bijvoorbeeld een minarchistische ‘nachtwakersstaat’ zijn, waarin slechts bij (positieve) wet wordt bepaald welke gedragingen wel of niet aanvaard worden, en hoe dit te berechten. Doorgaans zijn dit dan ook de klassiek-liberale rechten van vrijheid, leven en eigendom die hierin worden vervat.(5) Maar meer illuster zijn natuurlijk de zaken die een meer teleologische of ‘doelgerichte’ functie op het oog hebben, en dus de samenleving meer naar een welbepaalde richting willen ‘sturen’. Dat onze hedendaagse maatschappij zeer sterk doordrongen is van die teleologische gedachte, hoeft nauwelijks enige verduidelijking. Het is de staat die kinderen van jongs af aan wil omkneden tot goede “burgers”, een begrip dat natuurlijk om de zoveel decennia een totaal nieuwe inhoud krijgt. In de jaren 1930 in Nazi-Duitsland werden twaalfjarige knapen geacht goed overweg te kunnen met een mitrailleur; hun leeftijdsgenoten van zo’n kleine zeventig jaar later moeten dan weer in staat zijn op ludieke manier geld in te zamelen voor 11-11-11. Eenmaal volwassen worden ze dan verplicht hun “burgerplichten” op zich te nemen, wat impliceert dat men tot de helft van zijn eerlijk verdiend inkomen onder dwang afstaat aan de overheid, die er op zijn beurt de meest prestigieuze infrastructuurwerken, sociale zekerheidssystemen, milieumaatregelen,… mee uitdoktert tot meerdere eer en glorie van “de maatschappij”. Dit alles wordt haarfijn en tot in het meest minutieuze detail uitgewerkt in wetten, decreten, ordonnanties, besluiten, richtlijnen, richtsnoeren, verdragen, handvesten en charters.
Nu, zo’n teleologische ordening van de maatschappij vereist natuurlijk ook een sterke hand bij de rechterlijke macht om deze ordening ook effectief op te leggen. Het is juist wegens de versterking van die teleologie-gedachte, dat de rol van het openbaar ministerie – dat zeker niet het enige machtsmiddel is van de staat om zijn wil op te kunnen leggen – zo sterk is. Een frappant voorbeeld zijn bijvoorbeeld de ‘vervolgingen’ die het openbaar ministerie instelt tegen personen of organisaties (bv. bedrijven) wegens inbreuken op de antiracismewetgeving. Zonder dat ook maar één persoon hinder ondervindt van wat iemand schrijft in een krant of – wat vaker gebeurt – op een website, schakelt het openbaar ministerie niettemin haar bloedhonden in. Inzake antiracisme wordt het ‘officiële’ openbare ministerie dan ook nog eens bijgestaan door andere gouvernementele organisaties die met eenzelfde takenpakket belast zijn, zoals het CGKR.
Maar of de positiefrechtelijke rechtsorde nu nomocratisch danwel teleologisch van aard is, is een zaak die er weinig toe doet. In beide gevallen dient de rechter zich steeds te schikken naar een veranderlijke, positieve wet; met doorgaans weinig discretionaire manoeuvreerruimte (hoewel dit in de nomocratische ordening meestal wel makkelijker is).
III. Naar een oplossing van de crisis der trias politica: het natuurrecht als remedie
Waar willen we dan wél naartoe? We hebben proberen aan te tonen dat een rechtspositivistische benadering van het recht de onafhankelijkheid van de rechter steeds in het gedrang zal brengen. Toch kan de rechter geen louter arbitraire uitspraken maken, anders zou er geen sprake zijn van recht, maar juist van zaken die krom zijn. En staat de rechter nu net niet ten dienste van het recht? Maar dan moet hij zich weer strikt baseren op de positieve wet, die steeds voor verandering vatbaar is, en ook grove vormen van wat gepercipieerd kan worden als onrecht bevat. (6) Om aan deze cirkelredenering, die zo inherent is aan het rechtspositivisme, te ontkomen; dienen we dan ook een radicaal andere concept van wat ‘recht’ zou kunnen zijn te hanteren. Dat radicaal andere concept is het natuurrecht. Het is slechts binnen deze natuurrechtelijke constellatie dat de rechter zijn beroep naar behoren kan uitoefenen: recht spreken wat krom is.
Zonder dieper in te gaan op de bewijsvoering van de geldigheid van het natuurrecht (dat overigens eveneens een zeer diffuus karakter heeft), kan gesteld worden dat het natuurrecht als rechtsnorm slechts één principe vooropstelt, namelijk dat ieder recht heeft op zijn persoon en extrasomatische middelen (eigendom). We bespreken hierbij de rol van de rechter in zulk een natuurrechtelijke constellatie.
Wat het natuurrecht zo verschillend maakt als rechtsnorm, is net haar onveranderlijke karakter. Bovendien is het karakter van het natuurrecht eveneens nomocratisch van aard, in die zin dat zij de horizontale verhoudingen tussen mensen onderling ordent, met dien verstande dat de nomos hierbij niet gezocht dient te worden in de positieve wet, maar in de menselijke rede. Dit heeft voor de rechtspraak echter een verregaand effect. De rechter dient het recht niet langer op te sporen in de positieve wet, en staat in die zin onafhankelijk van deze. Fenomenologisch gezien staat hij echter ‘middenin’ het recht, en dienen zijn vonnissen juist in overeenstemming te worden gebracht met wat het natuurrecht voorschrijft.
Hierbij komen we tot een tweede punt in verband met de rechtspraak in een natuurrechtelijke samenlevingsorde; en trouwens ook verdedigd werd door Montesquieu, die nochtans zelf geen natuurrechtaanhanger was. Deze betreft namelijk het aanduiden van de rechter door de betrokken partijen zelf. In de huidige constellatie die gedomineerd wordt door de gedachte dat de overheid over een monopolie beschikt op de rechtspraak, wordt steeds een rechter voorgedragen door één en dezelfde leverancier, namelijk de overheid. Het kan dan wel mogelijk zijn dat de rechter gewraakt wordt; maar dit dient zeker niet opgevat worden als een volwaardig alternatief op het in onderlinge overeenkomst van de betrokken partijen aanstellen van een rechter (ook voor Montesquieu was de mogelijkheid tot wraking slechts een minimum minimorum). In een natuurrechtelijke samenlevingsorde zijn dergelijke vormen van monopolie echter afwezig: de rol van de rechter wordt hierin die van verzoener, wat in eerste instantie vooronderstelt dat de persoon in kwestie het volste vertrouwen geniet van beide partijen. Deze rechter beschikt dan ook over een ruime mate van discretionaire bevoegdheid, maar dient zijn uitspraken wel steeds in overeenstemming te brengen met enkele – zij het echter zeer beperkte doch evidente – natuurrechtelijke principes. Indien hij een vonnis zou vellen waarin één van beide partijen zich niet zou kunnen vinden, dan is er de mogelijkheid de hele procedure opnieuw te starten onder toeziend oog van een nieuwe rechter.
IV. Slotsom
We komen hierbij dan ook tot de conclusie dat enkel onder de vorm van het natuurrecht een deugdelijke ‘scheiding der machten’ tot stand kan komen. In zekere zin is het natuurlijk zo dat in een natuurrechtelijke samenlevingsorde in feite nog maar één macht overblijft, namelijk de rechterlijke. De wetgevende macht in de zin van één of meerdere personen die wetten uitvaardigen is wegens de suprematie van het natuurrecht overbodig geworden, en de uitvoerende macht is in wezen een instrument dat hoofdzakelijk bij teleologische of monarchistische regimes hoort. Het is enkel op deze manier dat de rechterlijke macht, onafhankelijk doch in overeenstemming met de principes van het (natuur)recht, kan functioneren.
Eindnoten:
(1) In dit voorbeeld bespreken we enkel de evolutie zoals die heeft plaatsgevonden in continentaal Europa, meerbepaald Frankrijk. De curia bestond in Engeland eveneens, maar heeft een ietwat andere historische ontwikkeling meegemaakt.
(2) Er is overigens wel degelijk een verband tussen de beide betekenissen van het woord 'parket', dat een homoniem is. Iedereen kent allicht het 'parket' ook van de reclamespots van de speciaal voor parket en houten vloeren bestemde schoonmaakmiddelen van Mr. Proper. Het is juist dit parket – een houten vloer – waaraan het hedendaagse openbaar ministerie haar naam aan ontleent. Het stamt nog uit de tijd dat de procureur en zijn magistraten op een verhoogd houten platform ging staan – vandaar 'staande' magistratuur – om, in naam van het algemeen (lees: des konings) belang, zich te kunnen onderscheiden van andere aanwezigen in de zaal.
(3) Dit brengt ons natuurlijk terug bij de vermetelde libertarische discussie over het belang van een monarch als alleenheerser, omdat deze zijn land steeds dient te beschouwen als vorm van private eigendom die bewaard moet worden voor het nageslacht. Zie hiervoor de uitvoerige en saillante beschrijvingen gemaakt door Hans-Hermann Hoppe in diens Democracy: The God That Failed (New Brunswick: Transaction Publishers, 2006)
(4) We hebben hogerop echter ook reeds onze bedenkingen geuit bij een al te ‘positivistische’ conceptie van het privaatrecht, cf. de fictieve casus van Yves, Wilfried en de barbecue.
(5) Men kan de vigerende wetten die in een minarchistische maatschappij gelden dan ook best omschrijven als ‘gecodificeerd natuurrecht’. Maar de bedoeling van dit essay is juist om de stelling naar voren te brengen dat alle vormen van gecodificeerd recht, of ze nu nomocratisch danwel teleologisch van aard zijn, in principe niet verenigbaar zijn met het principe van de scheiding der machten. We komen hier later op terug.
(6) Een tamelijk bekende casus uit de Duitse rechtsgeschiedenis, is de zaak van Dr. V. In 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en de geallieerden reeds fors terrein wonnen in Europa, kampte het Duitse leger met een plaag van massale desertie. Soldaten liepen in grote getale weg, omdat ze toch al lang doorhadden dat voor Duitsland de strijd verloren was. De nazi-regering vaardigde dan ook in allerijl het zogenaamde Katastrophenbefehl uit: iedere burger die over een (vuur)wapen beschikte, had de plicht een deserteur om het leven te brengen wegens hoogverraad. En dit zonder proces. Eén van die Duitse burgers, de zogenaamde Dr. V., hield zich “plichtsbewust” aan de door de nazi’s uitgevaardigde wet, en schoot een jongeman neer die net uit het leger deserteerde. Na de oorlog werd door de moeder van de jongen een proces aangespannen tegen Dr. V., omdat hij haar zoon had gedood. Dr. V. verdedigde zich voor de rechtbank met het argument dat hij louter handelde in overeenstemming met het heersende ‘recht’ van die tijd. De rechter gaf hem echter ongelijk: Dr. V. handelde in strijd met de onveranderlijke, tijdloze rechtsprincipes waarop ieder mens zich kan beroepen, en die hem op zijn minst de eerbied van de persoonlijke integriteit waarborgen: het natuurrecht. Bovendien had Dr. V. er geen enkele baat bij de jongen neer te schieten: mocht hij bij het zien van de desertie een oogje hebben dichtgeknepen, zou de SS of andere politionele eenheid van de nazi’s hem ongetwijfeld ongemoeid hebben gelaten: wat niet weet, niet deert. Deze casus vormt alleszins een uitzondering op de ‘cirkelparadox’ waarin de rechter steeds gevangen zit wanneer hij zich (uitsluitend) op de positieve wet moet beroepen. We hebben het woord ‘natuurrecht’ nu al laten vallen; leest u dus maar gauw verder in de hoofdtekst.
Abonneren op:
Posts (Atom)